VOOR ONZE Militairen
STEUN WETTIG GEZAG (II.)
In ons vorig artikeltje hebben we besproken of er wettige, geldende principiële bezwaren zijn die ons verhinderen om lid te worden van bovengenoemde organisatie. Zeer in 't kort hebben we toen stil gestaan bij de vraag: of Nederland een wettige Overheid heeft. Deze vraag is door ons bevestigend beantwoord. In verband met deze uitspraak, hebben wij toen gezegd, dat het plicht is van iedere onderdaan om zijn wettige Overheid te steunen in het handhaven van haar Gezag, omdat zij Gods Dienaresse is. Daar zou oVer de instelling van de Overheid nog heel wat te schrijven zijn, maar ik ben bang dat de belangstelling zou dalen en dat moet niet.
De tweede vraag die hier rust is het begrip: „Staat."
Wat verstaan wij hieronder, want als ik „Overheid" zeg, dan zit daar onmiddellijk aan vast het begrip „Staat". Wanneer ik het begrip „Staat" noem dan denk ik meteen aan saamhorigheid, aan samenbinding. Reeds Aristoteles kwam te zeggen, dat de mens naar zijn natuur is een gezellig wezen. De Staat is het naar den aard onzer menselijke natuur, van God geschonkene instituut van het recht.
In „Ongeloof en Revolutie" zegt Groen van Prinsterer dat: „de Staat niet van menselijk maaksel, maar van goddelijke instelling, met de natuur en met de behoefte der gevallen mensheid in onafscheidelijk verband is. Zoals, bij gelijksoortigheid der voorwerpen, het kleinste zowel als het grootste, in verscheidenheid van omvang, overeenkomst van eigenschappen vertoont, zo werd reeds in de eerste familie, toen echtgenoot en vader, als heerser over de aarde gesteld was, geen beeld en gelijkenis, maar het wezen van een Staat, in de volledigheid zijner vereisten, aanschouwd."
Vóór de torenbouw van Babel was de ganse aarde van enerlei spraak en enerlei woorden. Maar toen God blies in het hoogmoedig werk der mensen, in de torenbouw, toen verwarde God hun spraak en verstrooide de volkeren over de ganse aardbodem. Van hieruit beginnen de nationaliteiten op te komen.
God stelde in Deut. 32 : 8 de landpalen der volkeren vast. ~De Heere stelde de grenzen en ieder volk zijn eigen taak en plaats in de geschiedenis der mensheid. Israël kreeg tot taak de Messias voort te brengen. En nu geloof ik jongens, dat ook Neerlands grenzen door God bepaald zijn, en dat wij Nederlanders geroepen zijn, deze te verdedigen. De geschiedenis van ons land kan het ons getuigen, waar men komt, indien we de verdediging van ons land verwaarlozen. Ik wijs terloops slechts naar het jaar 1672. Misschien kom ik later hier nog wel eens op terug.
Resumerend komen we tot deze conclusie dat wij geroepen worden onze wettige Overheid te steunen, le. omdat ze Gods Dienaresse is, 2e krachtens het stellen door God van Neerlands grenzen. En toch hebben we bezwaren tegen S.W.G. Welke zijn deze?
le. Ik kan me niet vinden in de methode waarnaar S.W.G. werkt. Ik zal dit nader verklaren. Men probeert door middel van film, toneel en zgn. gezellige avondjes of contactavonden onze jongens te trekken en te binden aan S.W.G. Dit stuit ons tegen de borst. Daar is de zaak veel te ernstig voor en daarop is geen zegen te verwachten. Men brengt zodoende onze jongens in een sfeer en in een milieu, waarin ze van huis uit niet zijn opgevoed en waarin ze niet thuis horen. Het wordt ó zo onschuldig voorgesteld maar in wezen is dit het niet. Dit is zeer te betreuren. Men stelle het niet zo, dat een jongen niet verplicht wordt deze avonden te bezoeken want dan kan dit formeel wel juist zijn maar moreel is het niet zo. Men brenge onze jeugd niet nodeloos in moeilijkheden. Onze jongens zijn jong en de verleiding is groot. Ze hebben de hitte des daags en de koude des nachts nog niet meegemaakt. Ze zijn nog geen geharnaste strijders, maar ze behoren nog tot de schildknapen. Die het vatten kan, die vatte het! Ik hoop niet dat er lezers zijn die zich ver verheven voelen boven deze verzoeking, want zo eenvoudig is het niet. Een ieder onzer kere maar eens naar binnen. Uit ervaring weet ik er wel een heel klein beetje van. Dan past ons geen enkele roem \voor ons zelf maar dan is het loutere genade als we hardop „neen" mogen zeggen. Men komt dan te behoren tot de eenlingen, de conservatieven. Thorbecke zou zeggen: „tot het niet denkend deel der natie." Nu is dat niet zo erg hoor jongens, wat de mensen van ons zeggen, belangrijker voor jullie en voor mij is, wat God van ons zegt. Maar voor het vlees is het een harde les en ik geloof dat een ieder verstandig doet de Verzoeking niet te zoeken maar deze zoveel ons mogelijk is te vlieden.
Ik kan natuurlijk niet beoordelen of dit op alle plaatsen geschiedt en daarom zal ik me wel wachten om onze jongens af te raden zich aan te sluiten bij S.W.G.
Wel moet ik manen tot voorzichtigheid en men onderzoeke eerst nauwkeurig de gang van zaken ter plaatse waar men zich denkt aan te sluiten.
Ik geloof dat dit bezwaar bij velen onzer leeft. De Overheid verlate deze weg opdat onze jongens met vrijmoedigheid kunnen toetreden tot S.W.G. Tegen het instituut als zodanig hebben we dus geen enkel principieel bezwaar, doch men bepale zich enkel en alleen bij het doel waarvoor S.W.G. in het leven is geroepen. Men probere S.W.G. niet aantrekkelijk te maken door film en toneel, maar de aantrekkelijkheid zit in het doel. Dit is ten volle gewettigd. Wij geloven dat de Overheid geroepen is tot handhaving van het recht zowel in de Natie zelf als tussen de natiën onderling, daartoe draagt zij het zwaard niet te vergeefs. Zij is daarin Gods dienaresse en deze dwingende macht kunnen wij om der zonden wille niet missen.
Ook zij de Overheid niet te karig. Ik ben zelf instructeur geweest bij S.W.G. en weet er dus wel een beetje van af. Ik heb daar jongens ontmoet die 14 kilometer midden in de winter moesten fietsen vóór zij bij de oefenplaats waren. Dat was dus 28 km en dat op Zaterdagmiddag, terwijl een ander vrij is. Ik heb meermalen met respect opgezien naar deze jongens. Kregen die jongens een vergoeding voor hun fiets? Geen sprake van. Kregen ze dan vergoeding voor die 2 uren fietsen. Ook niet. Kijk, dat werkt niet stimulerend. Men zegge nu niet, moet dan alles betaald worden, want dan wordt er toch wel veel gevraagd. Een leger kost geld en zeer jveel geld. Maar de zuinigheid mag de wijsheid niet bedriegen. Men kan toch niet zeggen, dat deze jongens niets opofferden want dan is men niet eerlijk. De opofferingen die deze jongens zich getroostten, waren ontzettend groot. Het waren boerenjongens, die de gehele week hard hadden gewerkt en die hun vrije Zaterdagmiddag besteedden door te gaan oefenen in de wapenhandel. Ik had diep respect voor deze jongens, maar hun beloning was zeer gering.
Ik ga hierover eindigen. Daar zou nog wel het een en ander over te schrijven zijn maar dat ligt meer op het politieke terrein en daar is „Daniël" niet voor verschenen.
Ik hoop dat ik op bescheiden wijze de bezwaren van die ouderling heb toegelicht.
(De regels die hieronder nog volgen, schreef „Krijgsman" eind December. Wij willen die regels niet schrappen en niet wijzigen, al is het bij plaatsing al eind Januari 1951 (Redactie.)*
Zo is dan het jaar 1950 weer ten einde. Een jaar zijn we nog gedragen en gespaard door Gods lankmoedigheid.
Een jaar geschreven en een jaar gelezen. Waar is van dit alles de vrucht, want daar komt het toch op aan.
Ik ben me bewust dat ik met veel gebrek heb geschreven en gij, hoe hebt gij gelezen?
Ik lees in Joh. 15: „Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult mijne discipelen zijn."
Dat schenke de Heere U en mij in het jaar 1951. Vele groeten van
„KRIJGSMAN".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1951
Daniel | 12 Pagina's