DE KERK en de verlichting
(VII.)
Hoe schuldig staan wij allen.
Welk een licht straalde in vroeger tijden af van het volk van God!
Welk een eerbied dwong dat menigmaal af van de jeugd!
We zijn niet, die we behoorden te zijn.
Waar wordt nog dat wandelen als lichten gevonden.
We behoeven de schuld niet op de jongeren te werpen.
Ach, dat onze gezinnen kweekplaatsen van ware godsvrucht waren, hoe geheel anders zou het er uitzien, ook in de kerk.
Dikwijls hoort men de vraag: Wat zit daar nu voor kwaad in?
Als de Heere onze ogen opent (en dat mocht veel onze bede zijn) dan zien we in al ons doen kwaad. Het kan Gode niet behagen.
De dichter bad. „Leer mij naar Uw wil te handelen." Dat moest hij leren, dat kon hij van zichzelf niet!
Misschien zijn we wel eens jaloers op de voorspoed van de wereldling. Dat was Asaf ook, totdat hij in Gods heiligdom mocht ingaan. Daar worden de zaken gezien, zo ze werkelijk zijn.
Dat ons leven niet was als dat van de rijke man, alle dagen vrolijk en prachtig. Hij had ook zijn godsdienst. Hij ontving zijn goed in zijn leven. Zijn goed. Ander goed begeerde hij niet. Daarom moest hij straks dat andere eeuwig missen, terwijl de arme Lazarus er deelgenoot van werd.
Hij had het goed van de rijke man nooit begeerd.
Hoe bitter zal ons einde eens zijn, als we nooit geleerd hebben God te stellen tot het hoogste van onze blijdschap.
Dan zingen zij in God verblijd.
Wij moeten allen sterven.
Hoe zal dat zijn?
Laat ik U tot slot bij twee sterfbedden mogen bepalen Daar ligt de oude vader Jacob. Hij is gekomen aan het einde der dagen zijner vreemdelingschappen en mag nu uitroepen: „Op Uwe zaligheid wacht ik o Heere!"
Daar ligt Voltaire, de man van de Verlichting. Nu wordt het duister voor hem. Geen aanhalingen uit zijn eigen geschriften kunnen hem troosten. Ik ga naar de hel, roept hij uit en (tot zgn vrienden) gij allen zult er ook heengaan. Onder de onduldbaarste smarten en angsten ging hij de eeuwige rampzaligheid in.
Aan hem werd vervuld Jes. 50 : 11: Ziet gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand; in smart zult gijlieden liggen."
Hoe is het voor ons allen nodig in oprechtheid te kiezen, gelijk Mozes door genade mocht doen, die het verlichte Egypte met zijn cultuur, wetenschap, beschaving en verlichting prijs gaf en verkoos om liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden, want hij zag op de vergelding des loons.
Dat ook wij leerden de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te achten, dan al het schijnschoon van deze „verlichte" wereld, die door haar eigen werken straks ondergaat in een eeuwige nacht, terwijl degenen, die hier door de verlichting des Heiligen Geestes hun duisternis leerden kennen, straks zullen worden opgenomen in de plaats, waarvan Johannes getuigt: „En aldaar zal geen nacht zijn."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1951
Daniel | 12 Pagina's