Grepen uit de Letterkunde
(30.)
'Gerrit de Veer-Hendrik Tollens.
De Veer gaat met zijn dagboek aldus verder:
„De 19. was 't tamelijk weder, de wind n.w. en overdag w. en w.z.w., maar bleven nog vast in 't ijs besloten en zagen gans geen opening, terwijl wij elke reis meenden dat het ons leste blijven zoude zijn, en van daar niet geraken, maar daartegen troostten wij ons wederom dat God de Heere ons dikwijls op 't onvoorzienste geholpen en verlost had, en dat Zgn arm nog niet verkort was, dat Hij ons nog wel kon helpen als 't Zijn
liefste wil ware, en daarop vertroostten wij ons en spraken malkanderen een moed aan.
De 20. Juni was 't tamelijk weder, en de wind west, en omtrent z. ooster zon 1 ), begon Claes Andriesz. heel krank te worden, en zagen wel dat hij 't niet lang maken zou, en kwam de hoogbootsman in onze bok, en zeide ons hoe dat het met Claes Andriesz. gesteld was, en dat het gezien was dat hij 't niet lang maken zou, daar op Willem Barentsz. zeide: mij dunkt, 't zal met mij mede niet lang duren, maar wij hadden weinig vermoeden dat Willem Barentsz. zo krank was, want wij zaten met malkanderen en praatten, en Willem Barentsz. las in mijn kaartje, dat ik van onze reis gemaakt had, en hadden nog diverse propoosten^) over en weerover. In 't einde leide hij het kaartje weg en sprak tot mij: Gerrit, geef mij eens te drinken; 't welk als 't geschied was dat hij gedronken had, zo kwam hem een zodanige kwalijkheid aan, dat hij zijn ogen verdraaide, en stierf zo onvoorzien haastig, dat men geen tijd had de schipper uit d' andere schuit te roepen, of hij was al dcod, alzo dat hij nog vóór Claes Andriesz. dood was. die straks na hem stierf. Deze dood van Willem Barentsz. bracht ons geen kleine bedroefdheid in, want hij de principale beleider en enige stuurman was, daar wij ons op vertrouwden: maar konden tegen God niet doen, des w r ij ons tevreden moesten stellen."
Hendrik Tollens Czn. (1780—1856) heeft in 1819, naar aanleiding van het scheepsjournaal van Gerrit de Veer een gedicht geschreven. „Tafereel van de Overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596—1597."
Dit gedicht is ontzaglijk populair geworden. In korte tijd verschenen er een tiental drukken van; de Hollandse Maatschappij voor Fraaije Kunsten en Wetenschappen zorgde voor een goedkope uitgave voor de scholen. Bovendien werd het vertaald in 't Frans, in 't Fries, tweemaal in 't Engels en tweemaal in 't Duits. Door velen werd het gedicht uit het hoofd geleerd. Daardoor zijn wellicht de algemeen gebruikte gezegden ontstaan, die gebezigd worden en waarvan men niet weet waar ze vandaan komen. Ik noem enkele van die uitdrukkingen (regels uit de „Overwinning"):
„Hier heeft de wintervorst zijn zetel opgeslagen." „Hier houdt de spreker stil: hij snikt; hij kan niet meer." „Europa zag, verbaasd, het rijzend v/onder wassen." De slotregel is heel bekend: „En rekent d' uitslag niet, maar telt het doel alleen."
Laat ons even naar Tollens luisteren:
„Zij zien de toekomst in, en siddren die te kennen, En uur aan uur vervliegt, eer ze aan het [schrikbeeld wennen. Toch eist de hoger nood beleid en zorg te meer: Zij zien de leeftocht na, herzien hem keer op keer. Bepeinzen voor hoelang, bereek'nen voor hoevelen, En stellen vast rantsoen, om daaglijks uit te [delen. De brand wordt afgepast bij luttel tal en maat; De dunne pit gesplitst, eer z' in de lamppijp gaat; De korlen zout geteld en 't zuivel voorgenieten; Zo wordt hun nood gerekt en 't harde brood [gegeten. Maar d' eensgezindheid blijft, al dringt zich d' armoe in; Een aanbevolen tucht regeert het gans gezin, En zuinigheid houdt huis, naar Hollands oude [zeden: Geen kruimel wordt verspild, geen spaander w r ordt [vertreden.
!) de zon stond in het z. oosten. 2 ) verschillende gesprekken.
Des feestdaags, anders niet, wordt uit het zilte nat Het bruine vlees gescheurd, dat vastvroor in het [vat; Dan dekt de ketel 't vuur, waar zij zich rondom [scharen, En hunkren naar de dis, en in de wasem staren. Maar, eerst de dag gevierd en God de Heer [geloofd! Zij slaan de Bijbel op, ontbloten allen 't hoofd; Een hunner, beurt om beurt, met eerbied [opgerezen, Staat uit Gods heilig Woord een roerend stuk te [lezen; Of aller ziel en zang smelt luidkeels zich ineen, En Nova-Zembla hoort de psalmen van Datheen."
INDEX.
Rectificatie. In nummer 28 van deze rubriek moet in het midden van de tweede kolom staan: „een „soort god", die helpt en redt en troost en sterkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1950
Daniel | 12 Pagina's