Wat is het verschil?
Ook de Bond van Jongelingsverenigingen der Gereformeerde Kerken hebben hun blad. Het „Gereformeerd Jongelingsblad" heet dit.
Men heeft hierin een „vragenbus" opgenomen. Nu, dat is nuttig. Het is voor jonge mensen prettig, als zjj ergens terecht kunnen met hun vragen, bij iemand die goede voorlichting geeft.
Nu stelt iemand in het Jongelingsblad van 10 November jl. een belangrijke vraag. Luistert U maar!
„Wat 'is het verschil tussen de Geref. Gemeenten en ons? "
Om een dergelijke vraag te kunnen beantwoorden, moet men wel goed op de hoogte zijn van het standpunt van beide kerken!
Maar dat mogen we van iemand die de „vragenbus" behandelt wel verwachten.
Wie nu echter als antwoord een beknopte uiteenzetting van de Doop-en Verbondsopvatting, over het wedergeboren houden of worden of iets dergelijks verwacht, wordt echter teleurgesteld.
Wat het verschil is? We geven het antwoord letterlijk weer:
306. H. v. d. W. te Krabbendam. Wat is het verschil tussen de Geref. Gemeenten en ons?
Antwoord. De Gereformeerde Gemeenten hebben dezelfde grondslag en belijdenisgeschriften als wij, zijn eveneens naar de Dordtse Kerkenordening georganiseerd. Desniettemin is er een groot verschil: zij lijden aan de ziekte van het piëtisme of valsmysticisme. Dat wordt openbaar in:
a. een nadruk leggen op het werk des Geestes in ons ten koste van het werk van Christus buiten ons; het komt er op aan, dat we er deel aan hebben of liever: hóé we er deel aan gekregen hebben, met welke kenmerken wij voor de dag kunnen komen.
b. een weinig voelen voor kerk, gemeenschap, verbond; men leeft individualistisch; als „de eigen ziel het maar goed heeft".
c. in het leven op het gevoel en ervaring; gehoorzaamheid aan de Wet Gods komt niet ter sprake; men is anti-nomiaan.
d. een geringschatten van de waarde van het natuurlijk of gewone leven.
De prediking is zwaar en eenzijdig-bevindelijk. Het vroomste is in het zwart gekleed te gaan. Alsjeblieft geen gezangen, dat zijn duivelsliederen; de berijming van Datheen is je ware.
Wij mogen en kunnen ons in dit klimaat niet thuis gevoelen.
Tot zover het antwoord.
Wanneer wij enkele punten van dit antwoord zouden samenvatten, komt het hier op neer: een opsomming van zonden die we bij de godsdienstige mens ontmoeten.
Individualistisch leven, leven op gevoel, te geringschatten van het gewone leven, het zoeken in het uiterlijke, het zijn geen specifiek „Geref. Gemeente openbaringen", maar zonden die in ieders hart leven. Die mogen we niet goedpraten, maar door genade leren beladen. Dan danken we er niet voor, dat wij anders zijn dan anderen. Ze worden daarom óók in de Geref. Gemeenten, in de prediking veroordeeld.
Of het juist is, dat men in de Geref. Gemeenten weinig voelt voor de kerk, betwijfelen we. De middagdiensten worden, ook 's zomers, goed bezocht. We moeten echter niet alleen iets „voelen" voor de kerk, maar onderzoeken of we er levende lidmaten van zijn.
Voelen voor gemeenschap, doen we alleen wanneer we gemeenschap hebben aan Christus. Dan oefenen we ge-
meenschap dor heiligen. Men praat veel over gemeenschap oefenen, maar de wortel van die vrucht wordt dikwijls vergeten. We wisten niet dat de Geref. Gemeenten weinig voelen voor verbond. Wèl dat zij een andere verbondsbeschouwing hebben.
Voor ons ligt een in 1943 gehouden lezing van prof. dr J. M. Bavinck, over , , De toekomst van onze kerken." Op bldz. 15 daarvan wordt over het Verbond gezegd: Ge zijt gedoopt, ge zijt in het Verbond, thans rest alleen nog het opkomen voor de ere Gods op alle terrein des levens. De eis tot verootmoediging, tot bekering, de huivering voor de heiligheid Gods, de siddering voor de gedachte van het verloren te kunnen gaan, die alle worden in de prediking vaak te weinig meer genoemd. Doordat men zo sterk op één zijde van het Verbond de nadruk legt, wordt alles wel vast en ze-i ker, maar er gaat iets verloren van de innigheid en van de vroomheid, die onze vaderen eigen was. De profeten die tot het oude Bondsvolk gesproken hebben, hebben juist op dat Verbond gegrond hun forse oproep tot bekering voor het aangezicht Gods. Dat laatste is het, wat nu hier en daar dreigt te gaan ontbreken, het wordt alles te vlak, te goedkoop, te uitwendig". Dit wordt genoemd als kenmerk van de nieuwe geest in de Geref. Kerken.
Wanneer men de catechismus-verklaring van Ds Kersten leest (hetgeen we de beantwoorder kunnen aanbevelen), begrijpt men niet hoe het mogelijk is, te schrijven dat gehoorzaamheid aan de Wet Gods niet ter sprake komt en men anti-nomiaan is.
Op bldz. 398 van deel 1 van deze verklaring lezen we:
, , Of er dan geen zorgeloze en goddeloze mensen zijn. zelfs onder hen die van vrije genade spreken? Gewis ja, die zijn er, mensen die een schandvlek zijn die beweren dat het er zo nauw niet op aan komt met onze werken, Christus heeft immers voor de zonden betaald? O, het mocht hun als een donderslag op de ziel vallen: God haat hun werken en zo zij zich niet bekeren, zal Hij tegen hen krijg voeren met het zwaard Zijns monds."
Niet erg anti-nomiaans, nietwaar?
Wanneer men schrijft „de berijming van Datheen is je ware", is men niet op de hoogte. Hoewel nog in verscheidene Gemeenten de berijming van Datheen wordt gebruikt, is deze toch aan de meeste leden geheel onbekend. Dat men voor de berijming van Datheen meer gevoelt, dan voor de gezangen of de berijming van Ds Hasper, verklaren we uit het feit dat in de eerste de mening des Geestes meer uitblinkt.
Betreffende de zgn. eenzijdig-bevindelijke prediking verwijzen we naar de catechismusverklaring van de Geref. Ds H. Veldkamp, waar hij bij de behandeling van Zondag 33 schrijft:
„Maar ook hier ligt het gevaar van eenzijdigheid voor de deur, doordat men schijnt te vergeten, dat wat Christus IN het hart en leven van de zondaar doet, ook echte Christusprediking is." en verder: „De catech. gaat er nu toe over de stukken op te noemen, waarin de waarachtige bekering bestaat. Men zou hier ook van de kenmerken der ware bekering kunnen spreken, hoewel sommigen o zo bang zijn voor dat woord. Wonderlijk is dat, ik begrijp dat niet goed. De Bijbel spreekt ook heel nadrukkelijk van de kenmerken van de ware bekering."
Intussen mag men van kenmerken geen grond maken, waartegen in de Geref. Gemeenten ook gewaarschuwd wordt.
Misschien mogen we nog eens op de lezing van prof. Dr Bavinck terugkomen.
Op bldz. 13 wordt als kenmerk van de nieuwe geest in de Geref. Kerken genoemd:
„Men loopt op die wijze gevaar, dat men het werk van den Heiligen Geest, dat Hij door het Woord in onze harten werkt, niet genoegzaam in zijn grote betekenis erkent. Het Woord is uit den Geest, maar de Geest werkt ook uit het Woord en door het Woord. Het innerlijk leven, dat door die Geest gewekt wordt, dat leven waarnaar de Psalmdichters soms zo hartstochtelijk verlangd hebben, dat wordt onwillekeurig teveel vergeten. Daarom kan in sommige gevallen, wanneer dit objectivisme consequent en ongeremd wordt toegepast, een innerlijke verschraling en verschrompelingoptreden, die niet onbedenkelijk is."
Ziet degene die „het verschil" aanwijst, deze gevaren ook?
Het ligt misschien aan ons, maar we vinden het verschil tussen de Geref. Kerken en de Geref. Gemeenten eigenaardig aangetoond of liever: niet aangetoond.
reken-Wanneer men voorlicht, moet men zich vooraf schap geven, van hetgeen men neerschrijft.
In een dergelijk voorlichtingsklimaat gevoelen we ons dan ook niet thuis.
Zouden wij ons in een dergelijk voorlichtingsklimaat thuis mogen en kunnen gevoelen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1950
Daniel | 12 Pagina's