Jacobus Trigland
Bij de inneming van Breda in 1625 door Spinola was Ds Cornelis Hanecop naar Amsterdam gevlucht en daar als slachtoffer van de Spaanse tirannie met open armën ontvangen. Juist was er in Amsterdam een vacature en niemand was er meer geschikt dan Hanecop om deze vacature te vervullen, meende de kerkeraad. Aan zijn rechtzinnigheid werd niet getwijfeld en van zijn ijver tegen de Remonstranten had men goede verwachtingen. In het begin ging alles dan ook naar wens, hoewel zijn ijver tegen de Remonstranten niet bijzonder groot was. Het duurde echter niet lang of het kwam tussen Hanecop en de andere predikanten tot een uitbarsting. De kerkeraad had tenslotte over enkele Remonstranten de ban uitgesproken. Deze handelwijze vond Hanecop veel te hard. Ook stemde hij niet in met de heftige uitvallen in de preken der andere predikanten. Toen Trigland dan ook zei, dat de Remonstranten geen geloof hadden, tekende Hanecop hiertegen protest aan. 't Gevolg was, dat aan Trigland met de scriba en twee ouderlingen opgedragen werd een acte op te maken van al hetgeen men Hanecop ten laste legde. Verschillende personen, onder wie ook Hanecop's vrouw, werden gehoord en zo werd de gehele gemeente in beroering gebracht. Het einde was, dat Hanecop aan de kerkeraad satisfactie moest geven of anders zijn ontslag zou krijgen. Satisfactie geven wilde Hanecop niet en in zijn ontslag wilde hij wel bewilligen, mits hij dan direct in andere gemeenten zou kunnen beroepen worden. Dit was echter niet de bedoeling van de kerkeraad; een predikant die in Amsterdam wegens onrechtzinnigheid ontslagen werd, was tevens ongeschikt voor het gehele land. Hanecop werd dan ook voorlopig gecensureerd.
Trigland ging met één van zijn ouderlingen naar de burgemeesters om het ontslag van Hanecop te bewerken. De burgemeesters lieten echter de vergaderingen der Remonstranten oogluikend toe en waren niet van zins Hanecop uit Amsterdam te laten vertrekken. De Synode zou daarom nu moeten beslissen, dus werd de zaak daar ter tafel gebracht. In de herfst van 1627 kwam de Provinciale Synode te Haarlem bijeen. Van vier zaken werd Hanecop beschuldigd. 1. Onzuiverheid in de leer (omdat hij de dwalingen der Remonstranten niet fundamenteel acht); 2. Scheurmaking (omdat hij niet in alles met zijn collega's meeging); 3. Bedriegerij; 4. Vergrijp tegen de liefde (omdat hij zijn collega's over hun gaven had geblameerd.) De Synode stelde de kerkeraad van Amsterdam volkomen in het gelijk, zodat de censuur gehandhaafd bleef. Hanecop boog nu het hoofd en erkende de leer der Gereformeerde kerk voor goed. Hij betuigde zijn spijt over wat hij gedaan had en beloofde de insluipende dwalingen der Remonstranten te zullen bestrijden. Met deze satisfactie was de Synode volkomen tevreden. Hanecop had evenwel geen zin langer in Amsterdam te blijven; hij verzocht zijn attestatie en vertrok.
Door deze procedure met Hanecop was er een verwijdering ontstaan tussen de vrijzinnige magistraat en de Gereformeerde predikanten van Amsterdam. Aan de zijde van de magistraat schaarden zich natuurlijk alle Remonstranten, maar ook de letterkundigen, met Vondel voorop. In zijn gedichten viel Vondel steeds de Gereformeerde predikanten aan en richtte hij zijn pijlen vooral tegen de kerkeraad.
Het eerste hekeldicht, dat hij maakte, is het bekende , , Rommel-pot van het Hane-kot", een woordspeling op de naam van Hanecop. Vooral moet Trigland het ontgelden, die hij het „kalkoense Haentje" noemt. Trigland's gelaat schijnt bijzonder rood geweest te zijn, tot aan zijn neus toe zelfs. Ja, hij beschuldigt zelfs Trigland ervan, dat hij zich wel eens bedronken zou hebben. Op het einde van het jaar 1629 ontstond er wederom een ernstig verschil tussen de kerkeraad en de magistraat. Dat de Remonstranten steeds meer openlijk hun samenkomsten hielden, was alle predikanten een doorn in het oog. Vooral ds Smout viel hiervoor de burgemeesters aan. Reeds eenmaal was hij op het stadhuis ter verantwoording geroepen. Doch, op Zondag 21 November, viel hij, bij een preek over Matth. 7 : 5 „Gij geveinsden, werpt eerst de balk uit uw oog", nog heftiger tegen de overheid uit, dan hij ooit gedaan had. Weer werd hij op het stadhuis ontboden en 't eind was, dat ds Smout de stad moest verlaten en 's nachts of in de vroege morgen van de daarop volgende dag werd hij in een schuit weggebracht. Toen de kerkeraad dit bericht kreeg, verwekte dit natuurlijk grote opschudding.
Terstond ging Trigland, met nog drie predikanten, naar het stadhuis om tegen deze handelwijze te protesteren. Het baatte evenwel niet. Nu zond de kerkeraad met hulp van de classis, Lemaire, Trigland en Petri naar Den Haag om met de Prins te spreken over de moeilijkheden met ds Smout. Het eind van alles was echter dat ds Smout buiten de stad gebannen bleef.
Natuurlijk greep Vondel ook weer naar de pen en hekelde in zijn spotdichten Trigland op een wijze, die beneden het beschaafde peil daalt. Vooral de neus van Trigland moest het ontgelden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1950
Daniel | 12 Pagina's