Grepen uit de Letterkunde
(28.)
Hélène Swtarth (1859—1941.)
In één der vorige artikelen werden gedichten van Hélène Swarth in 't kort besproken. Laten we nu een weinig meer van deze dichteres zeggen.
Zij werd in het jaar 1859 te Amsterdam geboren en verhuisde naar Brussel toen ze nog maar een kind van zes jaar was. In de hoofdstad van België kreeg ze een Franse opvoeding. Vandaar, dat haar eerste verzen in de Franse taal werden geschreven. Pol de Mont, de Vlaamse letterkundige, spoorde ze aan om in 't Hollands te schrijven.
Haar gedichten zijn somber en weemoedig. „Waarhet hart vol van is, daar loopt de mond van over, " zegt het spreekwoord. Haar hart was vol van droefheid en vandaar dat haar gedichten vaak sentimenteel genoemd kunnen worden. Hoe was die droefheid gekomen ? Wel, in stilte was ze verloofd met een jongeman, tegen de zin van beiderzijdse families. Veel moeilijkheden waren hiervan het gevolg, maar moeilijkheden zijn er om overwonnen te worden. Helaas, de jongeman stierf en daar stond het jonge meisje alleen. Èn van die tragiek spreken vele van haar gedichten.
Hélène Swarth schrijft onder invloed van de zogenaamde „Beweging van Tachtig, " waarover we nu niet verder kunnen uitweiden; misschien later. De nadruk werd gelegd op het schone van de taal. De vertegenwoordigers van die „richting" w r aren levensgenieters. Er werd gezongen: „O leven, zoet leven, 'k heb u zo lief gehad" (Kloos), en „Hoe hebben wij hoog de bekerdes levens geheven!" (Van Deyssel). Het werd dus: halen uit het leven wat er uit te halen is. Arm standpunt! Het leven blijft niet duren. Straks komt de dood en op het sterven volgt het oordeel.
Over dat levensgenieten valt echter de schaduw van de vergankelijkheid en die vergankelijkheid brengt meteen het einde van de verrukkingen der zinnen. Geregeld horen we in de gedichten over die vergankelijkheid. Frederik van Eeden beschrijft de lente met al haar heerlijkheid, maar dan komt het wrange slot:
„Eens zult gij niet meer keren als gij trekt, des levens heerlijkheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d' eindeloze nacht."
Laten we nu even luisteren naar Hélène Swarth. Zij vergelijkt het leven bij een bronwel, waar het waternaar boven komt borrelen.
DE WEL.
„Als een die, wandlend in een groot groen woud, Een wijle neerzit bij een waterwel, En in zijn handen 't water schept, dat snel Vervliet, tot hij geen druppel overhoudt;
En, in gepeinzen, telkens weer dat spel Herhaalt, als had hij nimmermeer aanschouwd Hoe 't vonklend vocht, als levend zonnegoud, Zich niet laat vangen in de kleine cel;
Zo schepte ook ik mijn dagen uit de bron Des levens en verblijdde me in de glans Van 't water, helder in de lentezon.
Ik droomde en 't water vloeide weg... en thans Herdenkt mijn dorst, nog immer ongestild De dagen, die ik spelend heb verspild."
De dorst kan niet gestild worden door vergankelijk goed. Het driekantige hart is door de ronde aarde niet te vullen. Er blijft iets onvervulds. Dat is de tragiek van het leven, dat slechts verliefd is op de aarde, op dit tijdelijk leven en op de hartstocht.
En wat zien we nu later gebeuren bij Hélène Swarth ? Dan wordt het liefde voor de jong-gestorven verloofde overgeschakeld naar een „soort goed", die helpt en redt en troost en sterkt:
STORM OP ZEE.
„Toen sloeg de wilde storm mijn bootje aan stukken En 'k lag te worstelen met de boze baren, Daar greep een sterke hand mij bij de haren En 'k voelde een arm de golven mij ontrukken.
Toen zag ik Hem, de redder uit gevaren, Voor wien de wind zwijgt en de zee moest bukken, De woeste waatren met de voetzool drukken, En, kalm, met ogen die als sterren waren,
Zag hij mij aan en sprak: „Ontplooi uw vleuglen! Hoe liet g'u zinken in de Zee der Smarten, Gij die kunt stijgen, waar de sterren bloeien!"
Toen wies mijn kracht, — wie zou mijn vlucht [beteuglen? — En opwaarts steeg ik, in de vreugd mijns harten, Hem lovend, die mijn vleugelen deed groeien."
Merken we niet, dat de dichteres hier slechts fantaseert over een „Hem", en dat zij zichzelf moed inspreekt in het moedeloze leven? Op een andere plaats spreekt ze over „onsterflijke sterren hoog boven mijn sterfelijk hoofd", en dan even later komt de atheïstische gedachte naar voren, wanneer ze zegt:
„Lief, eens zullen wij sterven, wij beiden, wij samen [of ieder alleen, En het graf is zo diep en de hemel zo hoog en of [God leeft weet geen." Op latere leeftijd buigt ze af naar het religieuse. (In
de bekende zangbundel van M. van Woensel Kooy „Oude en nieuwe gezangen" staan verschillende nummers, door Hélène Swarth vertaald.) Maar dat religieuse is van bedenkelijk allooi. In „Bede", dat begint met „Lieve Heiland, neem mijn hand!" eindigt ze: „Altoos heb ik IJ liefgehad." Juist andersom als de Schrift leert. Immers zegt de Heere: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde", en „vijanden worden met God verzoend, " geen vrienden die God altoos hebben geliefd.
Dan weer is het: „Ik werd gedreven door uw noodlotwind."
Verder vinden we in de bundel „Avonddauw" Roomse klanken. Het is eigenaardig, dat mensen, op drift geslagen en die een houvast pogen te vinden, in de amen van Rome worden gedreven. Joost van den Vondel werd Rooms; Frederik van Eeden ging ook tot de Roomse kerk over. Van Hélène Swarth is die overgang niet bekend, maar toch vinden we o.a.: Maria en de Christusknaap, Maria met het Kindeke, De roos van het Kindeke, Monniksbeeldje (waarin: „laat mee mij lezen in je heilig boekje"), Adoratie en dergelijke.
Hélène Swarth is stellig een begaafde dichteres geweest. Met het meeste gemak heeft ze de taal gehanteerd om uit te zingen wat haar ontroerde van binnen. In haar verzen vinden we zuivere beeldspraak en beluisteren we mooie taalmuziek. De inhoud (wanneer het gaat over het „Christelijke") kan ons echter niet bekoren.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1950
Daniel | 12 Pagina's