DANKDAG
Onverdiende gaven daalden in het weggesneld seizoen over ons, die immer faalden, daar wij rijke schatten haalden door vernuft en door ons doen.
Met de lippen vroornlijk praten over Hem Die zeegneri moet, richtten wij ons doen en laten, vulden wij de, lege vaten met ons eigen grote goed.
Want diep in ons hart verdoken ! zit de wortel van ons Ik, dat in bruutheid heeft gesproken (van zijn Schepper losgebroken): niet de Heere — ik beschik.
Wil ons daarom diep verneren; brengen waar ons 't al ontviel; dan zou tot U 'f danken keren: Gij schenkt alles, Heer der heren. Dat elk als onwaardige kniel'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1950
Daniel | 12 Pagina's