Voor de Dankdag
Dankt God in alles; want dit is dc wil van God in Christus Jezus over u. (1 Thess. 5 : 18.)
De kerk des Nieuwen Testaments kent geen heilige dagen. Daar is maar één „roem der dagen" (de dag des Heeren), die Israëls God geheiligd heeft. Hij Zelf is er de Insteller van, en wil hem ook door ons geheiligd hebben. Toch hebben wij ook dagen van goede boodschap (de Christelijke feestdagen) waarop wij inzonderheid bepaald worden bij het goede dat door Jezus Christus is teweeg gebracht, hetzij door de staat Zijner vernedering, als door die Zijner verhoging. Helaas gaat het karakter van die dagen teloor, en worden het dagen van spel en sport en vleselijk vermaak. Laten wij toch vooral onze jonge mensen daar voor waarschuwen. Immers ook op die dagen staan de deuren van Gods huis open en wordt des Heeren Woord bediend en laten wij toch nooit zonder wettige reden onze plaatsen ledig laten.
Maar ook hebben wij de jaarlijkse Bede. en Dankdagen. Het is onnodig, het zeer betamelijke van die dagen aan te tonen. Overdenkt eens hoe zij in het leven zijn gekomen, en wat een rijke oogstdagen het menigmaal geweest zijn voor het Koninkrijk Gods, en zeer gezegend voor het volk des Heeren. Heeft Hij in wiens hand ons leven is, en bij wien al onze paden bekend zijn, er geen recht op dat wij Zijn aangezicht zouden zoeken, om van Hem alle tijdelijke en eeuwige zegeningen te begeren? Was de aarde door onze zonden niet onder de vloek gekomen, om niets anders dan doornen en distelen voort te brengen? Zou er brood voor de eter en zaad voor de zaaier kunnen zijn als Jezus' bloed de aarde niet doortrokken had? Hebben wij ook het recht op de tijdelijke zegeningen niet dooide zonde verloren? Voorwaar als wij zien hoe in andere landen de mensen van honger sterven, en wat de Heere ons in het afgelopen jaarseizoen geschonken heeft, is Hij het dan niet overwaard dat wij een dag in de week afzonderen, het werk onzer handen neer leggen, onze winkels en fabrieken sluiten, en met onze kinderen en dienstbaren ten huize des Heeren op te gaan om daar Zijn Naam ootmoedig dank te zeggen voor al Zijn weldaden. Spreekt ons tekstwoord er niet duidelijk van, wat ook in deze de wille Gods in Christus Jezus is? Danken, dat is ten eerste denken, maar ook terugdenken, waaruit voortvloeit gedenken. Hoe groot is het, als 's Heeren weldaden onze gedachten vervullen. Dat wij er over denken mogen! Wij zijn zulke vergeters van het goede, wij hebben zo weinig besef van onze diepe onwaardigheid. Wat had de Heere ook met onze personen en huisgezinnen en Vaderland andere wegen kunnen houden en zou het dan niet groot zijn, als dat onze gedachten eens vervulde? Wij hadden als zo vele anderen al gestorven kunnen zijn, zodat de mogelijkheid om tot God bekeerd te worden voor ons afgesneden was. Want al zijn onze schuren vol, maar wijzelf onverzoend met God, hoe arm zijn wij dan toch. Ja als v '< j eens mogen terugdenken, hoe 's Heeren zorg over ' ^ geweest is, waar Hij ons door-en uitgeholpen • ^c.eft, hoe ook Zijn trouw elke morgen nieuw was, zou dat voor ons geen aanleiding kunnen zijn om met de dichter te betuigen: ,
'k Zal gedenken hoe voor dezen, Ons de Heer' heeft gunst bewezen, 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan!
Hoe waardig zijn dan die dagen der afzondering, en tegelijkertijd een openbaar getuigen in het midden der wereld. Dan geen Dankuur maar een Dankdag. Wij zullen toch niet met onze daden zeggen: erst mijn werk op die dag, en als er dan nog tijd over is, dan (en dan moet dat menigmaal nog erg goed uitkomen) een uurtje naar Gods huis! Laat ik onze jonge mensen mogen opwekken om die dagen in ere te houden. Er zijn zovele dagen (vacantie en snipperdagen) die wij voor ons zelf gebruiken. Kunnen er dan geen twee dagen overschieten voor wat in deze de wille Gods is? En wat het werk op die dagen betreft, is het niet om Gods Woord te horen en ook Christelijke handreikingen (dankoffer) te doen ? Wij hebben het alles van Hem ibntvangen en daarom behoren wij het Hem te geven, nademaal de Heere ons welvaren gegeven heeft. Leest eens oplettend wat er staat in Malechai 3 : 8. Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: aarin beroven wij U ? In de TIENDEN EN HET HEF-OFFER! Dat is het oordeel Gods over de gierigheid, die God en Zijn zaak berooft, waardoor hij zich onder de zware vloek Gods brengt. Weet dat er een gedenkboek ligt voor Gods aangezicht. Ik hoorde van iemand die gezegd had: k moet daarom veel belasting betalen imdat ik het Gods zaak en dienst onthouden heb. Niet om op het pad der Farizeërs te gaan, o neen, maar toch behoren wij wel te vergelijken, wat de wereld voor een avond in de bioscoop of iets dergelijks betaalt, en wat wij voor Gods zaak (helaas soms zo weinig) over hebben. Jonge mensen, leert het in uw jeugd, en ouders gaat er uw kinderen in voor, opdat wij het
grote voorrecht mogen hebben voor do zaak des Hoeren iets te mogen doen. Maar laat ik nu niet te veel aan het uitwendige blijven hangen, maar ook wat dieper op het danken ingaan. Hoe betamelijk het ook is, worden wij geroepen voor een werk wat wij uit ons zelf niet kunnen. Niet dat zulks ons ontslaat van de verantwoordelijkheid, o neen, maar gelukkig die zijn geestelijke onbekwaamheid leest en dit hem uitdrijft tot Hem, Die de grote dankende Hogepriester is. Voorzeker is het willen in het hart van hen die door God zijn levendgemaakt, en in wiens hart de Geest der gebeden geschonken is, maar het volbrengen door zichzelf vinden zij niet. Dit maakt bij Gods volk een gedeelte van hun ellende uit, maar dat doet toch de verzuchtingen vermenigvuldigen om de hulp van de Heilige Geest. Als hun ogen mogen letten op de tijdelijke maar ook bovenal op de geestelijke zegeningen in Jezus Christus hun geschonken, dan is het uit hun hart gegrepen wat de dichter zingt:
Och of nu al wat in mij is Hem prees!
Als hun eens werd afgevraagd: „Wat heeft U ontbroken? of waarmede heb ik U vermoeid? " dan wordt het hen wel eens te machtig, en zeggen zij; Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldadigheden! Dan leren zij het grote geheim beoefenen Hom voor alles te danken, zowel in voor-als in tegenspoed. Dan worden zij het met God eens, keuren Zijn weg goed, en aanvaarden het kruis wat hen door Gods liefde en wijsheid is opgelegd. Dan mogen zij bemerken hoe alles uit die Vaderhand hen toekomt door de verdienste van Jozus Christus. Dan maakt de Heere verlegen dankers die mogen eindigen in dat grote Dankoffer van de gezegende Hogepriester. Ook dan zijn zij willig en bereid gemaakt om ook met stoffelijke gaven te doen wat onze tekst zegt. Dan is het in de volle zin des woords waar;
Dankt God in alles, voor alles, en met alles.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1950
Daniel | 12 Pagina's