JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

En in dc lucht des vochten uchtends hangen De laatste dunne blaad'ren van het jaar. (H. Boeken.)

(27.)

Herfstpoëzie II.

In allerlei toonaarden is het herfstgebeuren bezongen. Bij slechts weinig dichters wordt de nadruk gelegd op: „Wij allen vallen af als een blad" en „Als gras en hooi is hier des mensen leven."

We vinden veelal een starre gelatenheid onder het gaan en keren der seizoenen. Bij de meesten is de toets van weemoed aangeraakt.

Somber en uitzichtig klinkt het volgende gedicht van J. Slauerhoff. Wat is een mens, die bij het zien van het vergankelijke, geen zicht vergund wordt in Immanuëls Land! Dan is alles triest en troosteloos.

HERFST

„Ver stond de strakke lucht, Als een grijszijden scherm Gespannen voor de dood. Aan deze zijde een vlucht Vogelen, met gekerm Onze hoofden over, vlood.

De grond bekroop wat groen, Schril staken stengels riet. De wereld stond ontbladerd In 't uiterste seizoen, Waar zon haar lot verliet, Weer tot de maan genaderd."

Al het schone en opbeurende is weg. Als een somber scherm staat de lucht veraf, voor niets anders gespannen dan om alles te doen vergaan. Dc vogels zingen niet meer, zelfs schreeuwen ze niet, maar kermend vliegen ze in een grote troep over ons hoofd. Let op het sombere vers: „onze hoofden over, vlood." De vogels vliegen niet uit plezier, maar ze vluchten.

Op de grond is geen weelderige plantengroei meer en het riet in vaarten en sloten wuift en ruist niet als in de zomer. De stengels steken schril omhoog. Er is geen blad meer te zien in het rond. De zon heeft ons verlaten en slechts met gedempt licht moeten we ons tevreden stellen.

In het volgende gedicht, van Henri Bruning, klinkt een wrange toon. Eerst ontwaren we liefde en dan haat; we worden verraden door iemand die ons zó zeer ter zijde stond.

NAJAAR.

„Deze namiddag-klaarte, nu het najaar sterven gaat, nu ook de zon verraad pleegt aan het kleine blad, nu ook haar licht, het leven gevende, verderven gaat wat zij een zomer lang zo zeer heeft liefgehad.

De zomer was weeldezwaar, zeer eenzaam en zeer [groot van licht en vergezichten en langdurig zwerven. De zachte middagklaarte weet niet wat zij doodt; het schijnt weer voorjaar. Even onverstoorbaar als toen is 't zonlicht, nu het doemt tot sterven."

Het volgende, ook van H. Bruning, is niet zo hard en wrang van toon. Hier beluisteren we een weergave van het onontkoombare, in stille gelatenheid.

„Laat zonlicht speelt des daags in dunner kruinen; de korte stille dagen, de matglazen dagen staan nu onhoorbaar over lege tuinen. De aarde is gelaten als het laatste vragen, als 't avondlicht, dat leeg en groot en hel uit zee stggt boven donk're reeksen duinen."

Let hier op het mooie beeld „matglazen dagen." Er is geen beter woord voor te vinden. Dat is het kenmerk van de ware dichter, gezien vanuit literair standpunt. Hier komt nu van Jo Kalmijn-Spierenburg:

HERFSTBLADEREN.

Ze wiegelden gekrookt en zwak een ieglijk aan zijn eigen tak. Ze waren eindeloos vermoeid en van een rode schijn doorgloeid.

Ze waren langzaam losgemaakt van 't leven en van zelf geraakt, door regen en door wind geschaad, in deze-brekelijke staat.

Ze hadden zich ten eind bereid bedachtzaam en met waardigheid Ze hadden reeds de dood vermoed en braken van hun broze voet.

Ze hadden heimelijk een hang naar d' eindelijke ondergang. Het leven minden zij niet meer en wachten op de dood doet zeer.

De herfst bepaalt ons bij het vergankelijke op dit benedenrond. Laten we nu tot slot naar Jodocus van Lodensteyn luisteren over „Niets en alles" of „'s Werelds ijdelheid en Gods vrede."

„Ziet! als ik 't alles wèl doorzie en wel doorzoek, En hoe ik in de wereld vlie en wat ik heftig zoek, Ziet! ziet! De wereld en alles is niet.

De arme wroeter slaaft en zwoegt om weinig drek. En heeft hij lang genoeg geploegd, is 't einde nog gebrek. 55iet! ziét! De wereld en alles is niet.

En komt men al in staat en eer ten hoogsten top, een wenk, een wind werpt ons ter neer. een ander klimt er op. Ziet! ziet! De wereld en alles is niet.

Dat bloempje dat nu sierlijk groeit en morgen daalt, leert d' ijdelheid van al wat bloeit en waar men dus mee praalt. Ziet! ziet! De wereld en alles is niet.

De boom die vaak de harde storm verduren kon, staat nu geknaagd van rat of worm, verrot tot aan de grond! Ziet! ziet! De wereld en alles is niet.

De wijde omtrek van de ziel is veel te groot, al hadden wij, wat ons beviel, nog hebben we veel nood. Ziet! ziet! De wereld en alles is niet.

En niets kan ons verkwikken, waar het harte kreunt. De wereld niet het harte, maar het hart de wereld steunt. Ziet! ziet! De wereld en alles is niet."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1950

Daniel | 12 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1950

Daniel | 12 Pagina's