Leer en Leven
(21.)
I. Het Woord Gods. (t.)
Zoals we de vorige maal reeds zagen kunnen we verschillende grondtypen in de Heilige Schrift opmerken, nl. het verhaal, de onderw ij zing, de profef e t i e en het lied. Over het verhaal hebben we al gehandeld, dus is nu de tweede grondvorm aan de orde, nl. die van de onderwijzing-
In het verhaal worden gebeurtenissen medegedeeld en wordt de historie beschreven. Bij de onderwijzing is dit niet het geval, want hierin laat de Heere rechtstreeks Zijn stem horen. Er is dus groot onderscheid tussen de onderwijsvorm en de verhaaltrant.
De loffelijkheden des Heeren te vertellen, de daden des Heeren te vermelden, ziedaar het doel van het verhaal. Dan zien we, wat God doet. In de onderwijzing echter kunnen we beluisteren wie God i s, en wat Hij eist. Het gaat in de onderwijzing dus niet bepaald over de daden en werken, maar veel meer over het Wezen en de W i l van God. Natuurlijk beschrijft de Heilige Schrift ook wel in het algemeen, wat de Heere van alle mensen eist en tevens, wat hij voor alle mensen is, maar de nadruk valt toch altijd voornamelijk hierop, wie Hij is voor Zijn uitverkorenen en wat Hij van dit Zijn bijzonder volk verlangt.
We kunnen de onderwijsvorm in de Heilige Schrift nader onderscheiden in drie soorten. De Heere onderwijst in Zijn Woord door het geven van wetten; door het uitspreken van redenen; en door het schrijven van brieven.
Wanneer een koning aan zijn volk wetten voorschrijft, dan legt hij in die wetten zijn wil aan dat volk op en eist volkomen gehoorzaamheid aan die ingestelde wetten. Zo legt ook de Heere, als de Koning van Zijn volk, Zijn heilige wil aan Zijn Israël op. Duidelijk tonen die wetten het beeld van de Maker, want in die wetten eist de Heere van Zijn volk heiligheid, omdat Hij als de heilige God ook zelf heilig is. „Wees heilig, want Ik ben heilig", is de grondgedachte van al Gods inzettingen. En nu kondigt de Heere Zijn wetten niet af, opdat Zijn volk in de weg van een werkverbond zalig zou worden. Neen, maar Hij toont daardoor Zijn vlekkeloze majesteit, Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, waarom Hij nimmer afstand kan doen van Zijn heilig recht en er dus alleen in de vervulling der wet een verzoening tussen God en mens mogelijk is. Als God Zijn wetten niet aan Israël had gegeven, zou er nooit geen behoefte aan een Middelaar en Plaatsbekleder kunnen ontstaan. Daarom is de Wet een tuchtmeester tot Christus, die het einde (d.w.z. de vervulling) der Wet is, en Die du» in de plaats van Zijn uitverkoren volk komt te staan.
Niet minder komt de eis des Heeren aan de dag in de redenen, die in de Bijbel staan opgetekend en die op Gods bevel door Zijn knechten werden uitgesproken. Tonen deze redenen enerzijds Gods heilige eis, anderzijds geven ze ons een gezicht op het Wezen Gods, namelijk wie Hij is in Zijn ontferming en wie Hij zijn wil voor een volk, dat op Zijn naam betrouwt.
In die redenen onderscheiden we weer drie soorten. Ten eerste: Spreuken; ten tweede: Gelijkeniss e n en ten, derde: de eigenlijke Redevoeringen.
Wat zijn spreuken?
Spreuken zijn korte gezegden, waarin de Heere aangeeft, hoe zijn kinderen in allerlei voorvallen en omstandigheden des levens zich hebben te gedragen.
Wat zijn gel ij keniseen?
Gelijkenissen zijn beelden aan het dagelijks leven ontleend, die ons de verhouding tekenen, waarin God tot Zijn volk staat. Zo komt bv. in de gelijkenis van „De verloren Zoon" (Lucas 15) uit, wie God is voor de berouwvolle zondaar, voor Zijn afgedwaald kind, dat met boete en bekering weer tot Hem terugkeert. Het is in de gelijkenissen steeds om één punt van vergelijking te doen; en we moeten er tegen waken, dat we aan de gelijkenissen geen verkeerde uitlegging geven door alle onderdelen te gaan vergeestelijken.
Als we bijv. in bovengenoemde gelijkenis zouden willen proberen een geestelijkee verklaring te vinden voor de zwijnen, de draf, het gemeste kalf, enz. clan lopen we gevaar de hoofdzaken uit het oog te verliezen en dan doen we niet aan u i t-, doch aan inlegkunde, door de Schrift te laten zeggen, wat er niet in staat. Als we echter het grote doel in het oog nemen, wat de Heere Jezus zelf voor ogen stond, als Hij door gelijkenissen sprak, dan gaan we veilig en verstaan we de bedoeling der Heilige Schrift, naar de zin en mening van de Heilige Geest.
De eigenlijke redevoeringen, uitgesproken door Profeten, Koningen, Apostelen en vooral ook door Jezus zelf, geven ons eveneens een juist beeld van de verhouding tussen God en Zijn volk. In die redevoeringen spreekt een toon van vermaan; een oproep tot terugkeer van dwaalwegen; en een openbaring van de liefde Gods voor elke berouwhebbende zondaar. In die redevoeringen handhaaft de Heere Zijn heilig recht; maar laat Hij tevens Zijn ontferming in de Zoon van Zijn welbehagen op het luisterrijkst doorstralen voor elk, die alleen maar van genade leven kan.
Ook de brieven behoren tot de vorm van onderwijzing in de Heilige Schrift. Weer een andere, een zeer bijzondere vorm, waarin de Heere mededeling doet van Zijn Goddelijk Wezen en van Zijn heilige wil.
Die brieven, geschreven door de Apostelen Paulus, Jakobus, Petrus, Johannes en Judas, geven een uitvoerige uiteenzetting van de betekenis van het werk van Christus. Daarom worden ze ook wel genoemd: de leerstellige boeken van de Bijbel, omdat al hetgeen tevoren door de Profeten, Evangelisten en door de Heere Jezus zelf gezegd was, hierin nadere verklaring en toelichting vindt.
Zo wordt bijv. het borgtochtelijk karakter van Christus' lijden en sterven er duidelijk in verklaard. De Evangelisten delen ons wel mede, dat Christus geleden heeft en dat Hij gestorven is; en er zijn ook wel sporen tc vinden, die er op wijzen, dat het sterven van Jezus van geheel enige betekenis geweest is; maar toch zien wc pas het volle licht over het plaatsbekledend werk van de Middelaar vallen als we er van lezen in de Apostolische brieven. Daarin wordt heel de weg des heils, die de Heere Zelf uitgedacht en uitgewerkt heeft, in zijn volle en klare betekenis voor ogen gesteld.
Wat we uit de brieven leren? Dat aan alle heilsopenbaring de eeuwige verkiezing Gods ten grondslag ligt en dat Hij in de tijd, door de zonde der mensen heen, Zijn eeuwige en Goddelijke Raad volbrengt, en In de komst en het zoenoffer van Christus de weg baant voor schuldige zondaren om met een heilig God, wiens recht zij schonden, weer in verzoende betrekking te geraken.
De kinderen des Heeren zullen clan ook die Brieven, zo vol van Goddelijk onderwijs, niet kunnen en niet willen missen, want ze zijn hun dierbaarder dan het kostbaarste kleinood.
Z' is 't mensdom meerder waard, Dan 't fijnste goud op aard'; Niets kan haar glans verdoven; Zij streeft in 't heilzaam zoet, Tot streling van 't gemoed, Den honing ver te boven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1950
Daniel | 12 Pagina's