JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS

6 minuten leestijd

Prediking en gezang.

De prediking geschiedde in de regel door de bisschop vanaf zijn zetel in het koor; ook wel staande op de treden tussen koor en schip. Hij kon het prediken ook opdragen aan een presbyter of diaken.

De voorlezing van Schriftgedeelten geschiedde door een voorlezer, staande achter een lessenaar. Deze was geplaatst in het schip.

Ook de bisschop sprak, om beter te worden verstaan wel vanachter de lessenaar.

Een kansel, zoals wij in onze kerken hebben, had men toen niet. Er werd gelezen in het Grieks.

Omdat het liturgisch deel van de dienst zich meer en meer uitbreidde, ging dit ten koste van de voorlezing.

Ook kreeg men weldra het perikopensysteem, d.w.z. op de verschillende zon-en feestdagen werden bepaalde vastgestelde Schriftgedeelten behandeld. Zo met Kerstmis het Kerstevangelie, met Pasen de Paasgeschiedenis, enz.

De prediking was in het Oosten anders dan in het Westen. In het O. domineerde de vorm, niet de inhoud. Het ging er luidruchtig bij toe: applaus, wuiven met doeken en uitroepen van bewondering hadden na afloop plaats! Zo was het in het W. niet. Echter overheerste hier weer het liturgisch deel; de prediking bestond in korte toespraken, (sermones.)

Bij het gemeenschappelijk gebed stond de gehele gemeente, de handen omhoog geheven, het aangezicht r aar het Oosten gekeerd.

De catechumenen en boetelingen, staande achter in de kerk, mochten er geen deel aan nemen.

De dienst werd beslaten met het Avondmaal.

Voor het gezang gebruikte men psalmen en hymnen. De eersten, die hymnen maakten, waren de Gnostieken. Daarom ging men over tot het vervaardigen van orthodoxe gezangen.

Ook ontstonden ariaanse hymnen, waartegenover Basilius en Gregorius Nazianzenus hun niceaanse liederen stelden.

Bekende hymnendichters zijn geweest: Ambrosius. Hij vervaardigde o.m. het prachtige „Splenclor paternae gLoriae", op het thema: Christus, Licht uit Licht (zie Bel. v. Nicea.)

Verder. Augustinus, Gregorius de Grote, e.a.

Het kerkgezang, aanvankelijk eentonig, recitatief matig, werd allengs verbeterd. Maar in het O. werd het al te werelds.

Ambrosius heeft in het W. de zang verbeterd; de zgn. ambrosiaanse zang ontstond. Zij is zeer melodieus, rythmisch en rijk gemoduleerd.

Maar ook deze werd bij voortgang te v/erelds. Daarom ging men over tot het scheppen van een nieuwe zang: het Gregoriaans.

Volgens hedendaagse kerkhistorici is zij echter niet van paus Gregorius de Grote afkomstig, maar van oudere datum. In alle geval heeft deze paus zich wel met de kerkzang bemoeid.

Het Gregoriaans kenmerkt zich door langzaam, afgemeten, gelijkmatig tempo. Vandaar genoemd: cantus firmus. Bovendien werd het zingen overgedragen aan een geschoold priesterlijk zangkoor.

Maar ook dit is verkeerd. Aan het gezang behoort de ganse gemeente doel te nemen, waarbij de begeleiding hulpdienst verricht.

De Sacramenten

Doop. In de tijd vóór Constantijn was de kinderdoop ingevoerd. De Kerkvader Tertullianus was er een groot tegenstander van. Na Constantijn kwam echter de voiwassenendoop veelvuldig voor. Men stelde ds doop wel uit tot het doodbed. De reden hiervan was, dat men dit sacrament ging beschouwen als een middel tot afwassing dei zonden.

Zo lieten de keizers Constantijn en Constantius zich op latere leeftijd dopen; Augustinus werd gedoopt na zijn bekering; Ambrosius, toen hij bisschop werd; Gregorius Nazianzenus en Basilius, nadat zij hun studiën hadden voltooid.

(Verg. de roomse doopsbe^chouwing van heden.)

Omdat veel heidenen overkwamen en zich onder deze wel eens minder solide elementen bevonden, achtte men het nodig niet al te snel tot doopsbediening over te gaan, maar een flinke voorbereiding te geven.

Vandaar de uitbreiding van het catechumenaat. De catechumenen werden drie jaar lang onderwezen in de godsdienst. Het onderwijs eindigde met een „nacatechese"; de voorbereiding voor de doopplechtigheid.

Zoals voorheen gemeld, hadden de catechumenen in de kerk een afzonderlijke plaats en moesten zich bij het begin der eucharistie (avondmaal) verwijderen.

Van meet af aan waren zij echter voorwerpen van de kerkelijke tucht. De doopplechtigheid had plaats als volgt.

Eerst werd het exorcisme (uitbanning van de duivel) en het „effatha" (Mk. 7 : 34) over de dopeling uitgesproken. Daarna daalde hij in de doopvont en zwoer, naar het W. gekeerd de duivel af. Vervolgens zich naar het O. wendend verbond hij zich met belijdenis aan Christus. Dan volgde de driemalige onderdompeling en eindelgk de handoplegging en zalving. Dit laatste deel is later in het W. een afzonderlijk sacrament geworden (het Vormsel), uitsluitend te bedienen door de bisschop.

De doopsformule was gelijk aan die van ons: Ik doop U enz.

Na de doop had nog een catechese plaats, nu ter voorbereiding van het Avondmaal.

Avondmaal. Het woord „mis" is waarschijnlijk ontstaan uit „missie", het wegzenden, het laten gaan van catechumenen en gedoopten. Omdat eerstgenoemde bij 't begin van de avondmaalsdienst het kerkgebouw moesten verlaten (z.b.) kreeg deze dienst speciaal, bij wijze van overdracht, de naam van „mis."

Eucharistie van „eucharistia" was oorspronkelijk het lof-en dankgebed ter wijding van het brood en de wijn: de naam ging over op de hele avondmaalsbediening.

Verder werden brood en wijn, uit vrijwillige gaven der gemeente verkregen, een „offer" (nl. een dankoffer, oblatio) genoemd; deze naam ging ook over op de bediening van dit sacrament.

Hieruit ontwikkelde zich de theorie van het misoffer d.i. de onbloedige herhaling van het kruisoffer van Christus. Deze opvatting wordt reeds gevonden bij Gregorius de Grote. En zo werd dus hier reeds uitgesproken, dat er een bijzonder nauw contact was tussen teken en betekende zaak. Het zou tenslotte leiden tot de leer der transsubstantiatie nl. het teken = de betekende zaak.

De leer van het misoffer werd nu gekoppeld aan de leer van het vagevuur, ook inz. door Gregorius ontwikkeld.

Zo ontstonden de zielmissen voor de overledenen, waarbij het voldoende was, dat alleen de priester cle tekenen nuttigde.

Later volgden ook missen voor de levenden bv. voor afwending van bijzondere rampen.

Het brood was gezuurd of ongezuurd (v.g. het Pascha) ; de wijn vermengd met water.

De bediening geschiedde aanvankelijk dagelijks. De kerkvader Cyprianus grondde dit op het gebed: Geef ons heden ons dagelijks brood.

Later op de hoge feesten.

In deze tijd werden beide tekenen nog aan de ge-; meente uitgereikt. Later zou de kelk aan de leken onthouden worden.

P. J. LAMORé.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1950

Daniel | 12 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1950

Daniel | 12 Pagina's