VOOR ONZE Militairen
MIJN VERBLIJF IN TERNEUZEN
Het was in het jaar 1918 dat ik in Terneuzen in garnizoen lag. Het was dus mobilisatie. Zij, die toen in dienst waren weten wel, dat het niet overal even ordelijk toeging. Vooral niet in de afgelegen plaatsjes zoals toen Terneuzen was.
Hier was een compagnie Friezen gelegerd die o zo weinig te doen hadden. De commandant was een luitenant op klompen. Moet ik nog meer vertellen? Toen Israël geen koning had, deed een ieder wat recht was in zijn ogen. Dat was daar ook het geval. Je zult zeggen, dat is wel prettig. Net iets, waar ieder mens naar streeft. Toch is dat niet waar hoor! Als de gewone. soldaat kan doen wat hij wil, dan doet de sergeant dit ook. Dan doet de kok en de fourier het ook. Dan behoef je ook niet te denken dat je eten op tijd klaar is en dat je lekker eet, of dat je nieuwe kleding ontvangt, als de oude versleten is. Neen jongens, dan is alles ongeregeld en onordelijk. Dan zijn er dagelijks veel stenen des aanstoots, die je maar niet zo hebt opgeruimd. Het prettigste dienen is onder een commandant die commandant is. Dan is er orde en regel.
Ik was een jongen van 18 jaar toen ik vers van de bakkerij uit Kampen kwam. Ik keek mijn ogen uit. Dat zo iets kon bestaan had ik nooit kunnen denken. Gevaarlijk, zeer gevaarlijk dienen voor een jongen van 18 jaar. Ik wil jullie nu iets gaan vertellen van mijn verblijf aldaar.
Wat deden we daar toch? Niets! Daar was niets te doen. Nu zegt het spreekwoord: „Ledigheid is des duivels oorkussen." Dat is waar. Daar gebeurden veel ongerechtigheden. We waren in het bezit van scherpe patronen. Al spoedig werd een plan de campagne opgesteld. We zouden met een roeiboot de Schelde opgaan en jacht gaan maken op zeehonden. Zij die de Schelde kennen weten dat daar een sterke eb en vloed is. Bij eb komen verschillende zandbanken bloot te liggen. Op deze zandbanken lagen soms hele troepen zeehonden lekker te koesteren in het zonnetje. Dat zijn echter zeer slimme dieren. Terwijl de hele troep zijn middagdutje doet staat op iedere hoek één zeehond op wacht. Bij de minste beweging die hij ziet of het kleinste gerucht wat hij hoort, laat hij een waarschuwend geblaf horen en in een ommezien is de hele troep onder water. Je kunt begrijpen dat er spanning zat in zo'n zeehondenjacht. Daar moest je soms èen uur lang vööl ! kruipen met het geweer om de nek of je geweer in de arm. Tegenwoordig noemen we dat met een geleerd woord ; , de tijgersluipgang." Daar zijn wel eens mensen die deze gang „nieuw" vinden. „Geleerd in Engeland" zeggen ze dan. In 1918 had ik dat woord „tijgersluipgang" nog nooit horen noemen, maar ik weet wel, dat ik hem toen reeds practisch midden in de Schelde heb toegepast. Doch terzake. Kon men zo'n troep zeehonden verschalken dan schoten we er op en als we er een raakten dan hadden we geen slechte dag. Wé schoten met dum-dum kogels die we zelf maakten. Op welke wijze zal ik jullie maar niet vertellen, want ieder mens streeft naar het verbodene en verboden is het.
Wat deden we nu met zo'n dode zeehond. Ten eerste stond daar een premie op. We moesten de rechter of de linker voorpoot inleveren en dan kregen wij geloof ik daar een rijksdaalder voor. Maar de grote verdienste zat aan de rest van het lichaam. We gingen hem stropen en dat spek gingen we in de keuken uitbraden. Daar kwam menig litertje traan uit en dat was in die tijd erg duur. Dat was een tijdpassering die goed betaald werd en waar veel spanning in zat. Twee factoren waar een mens wel aan wil.
We gingen ook wel eens schieten op de schietbaan. Die hadden we zelf maar aangelegd en voldeed natuurlijk lang niet aan de eisen welke men stellen moet aan een model schietbaan. Schijven hadden we niet, dus schoten we maar op allerlei vooiwerpen, oude eetketels, veldflessen enz. enz.
Ik zal jullie nu met een voorbeeld duidelijk maken }ioe gevaarlijk het is om bij zo'n troep te dienen.
De soldaat van 1918 die dit leest, weet nog wel, dat voor de aanvang van iedere schietoefening, zijn geweer door de baancommandant, meestal een sergeant, werd nagekeken. Dat was voorschrift. Dat was een maatregel die genomen werd voor de veiligheid. Dat was mij in Kampen goed geleerd. Ach, brachten we al de wijze lessen die de meester, vader of moeder ons geleerd hebben, maar altijd in practijk. Ik geloof jongens dat ons veel moeilijkheden bespaard zouden zijn. We zijn dikwijls zo zorgeloos, zo vergeetachtig, vooral in het goede. Het kwade blijft ons veel beter bij.
Op zekere dag was ik baancommandant. Ik droeg dus de verantwoordelijkheid voor alles wat op die schietbaan gebeurde. Daar waren toen nog wasbazen in ons leger. Tegenwoordig kennen we die niet meer. Veelal waren dat mensen met de rang van korporaal. Wij hadden ook zo'n korporaal wasbaas. Ik schat, dat hij de 50 reeds lang was gepasseerd. Hij woonde in Harderwijk. Deze man kwam met een geweer over de schouder bij me en vroeg of hij ook eens mocht schieten. En nu komt het.
Ik zeg „wel ja Piet! ga je gang maar", en week hier van mijn voorschrift af. Ik had z'n geweer eerst na moeten kijken. Dat was m'n eerste kwade vrucht die ik ging plukken van het dienen bij een zeer onordelijke troep. Wat gebeurde. De man ging naast mij staan en laadde zijn geweer. Hij deed een schot en zijn geheel geweer sprong uit elkaar. Terwijl ik dit zit te schrijven doorleef ik dat vreselijke moment nog. Hij had niets meer in zijn handen dan de kolf en de daaraan vastgemaakte geweerriem. Hij, noch ik mankeerden iets. Wonder boven wonder was dit voor ons beiden goed afgelopen. Wat wordt ieder mens toch dikwijls wonderlijk bewaard. Merken we dit altijd wel op? Wat was er toch gebeurd? Hij had zijn loop afgesloten met een propje vetlappen. Toen het schot afging konden de gassen of liever gezegd, de lucht voor de kogel niet wijken en moest de loop van zijn geweer wel barsten en uit elkaar springen. Gelukkig voor ons beiden was alles naar voren gevlogen. Wat had ik daar een les gekregen! Nooit, neen nooit is dit door mij na die tijd nagelaten. Practijk jongens is de beste leerschool, maar soms zijn de practijklessen erg duur. We kunnen iets theoretisch goed onder de knie hebben, maar nu de theorie in de pratcijk brengen. Dat is wat anders.
ïs het zo ook niet met de opvoeding? Wat éen geleerde betogen kan je soms beluisteren maar probeer ze in de practijk eens toe te passen, zoals ze beschreven zijn; dan klopt er niets van. < Dit is mijn ervaring, als we ons houden aan de gegeven wetten en bepalingen, dat we wel varen. Gods Woord staat hier vol van. In het houden van Gods geboden is groot loon.
Doe in alles je plicht jongens, die roeping heeft ieder mens. Een verzuim kan goed aflopen maar meestal gaat het fout, en dan zegt men: „had ik dat of dat maar niet gedaan", maar dan is het veelal te laat. Mopper niet over een strenge commandant, want daar is alles goed geregeld en je weet waar je aan toe bent. Een slappe commandant heeft een slappe troep, met veel ongeregeldheden en veel uitspattingen. In mijn volgend artikel zal ik één zo'n misstap behandelen van een nette man die behoorde tot het reserve lataljon A. in Terneuzen, Voor deze keer genoeg.
Allen de hartelijke groeten van,
„KRIJGSMAN".
GEREPATRIEERD ? ? ?
Door de legerveldpostdienst zijn als gerepatrieerd opgegeven:
Sergt. K.N.I.L. A. v. cl. Hoek 27-14-17-001 Lt. ter Zee J. P. de Lijster Sold. A. Diepeveen nr 29-04-02-060
Indien deze aan ons gedane vermelding onjuist is, horen wij daarvan gaarne van de ouders, militaire correspondenten, verloofden of anderen.
Correspondentie hierover s.v.p. aan H. Hoogendoorn Ridder van Catsweg 244a Gouda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1950
Daniel | 12 Pagina's