JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

5 minuten leestijd

(24.)

P. C. Hooft. Nederlandse Historiën. II.

Zij, die het Muiderslot bezochten, hebben enig idee gekregen, waar de „Nederlandse Historiën" zijn geschreven. Het woonvertrek van de slotvoogd was in de oostelijke toren, rechts van het poortgebouw. Uit die torenkamer had hij een schitterend gezicht over de Zuiderzee, thans IJselmeer. In het westen lag Amsterdam, de grote koopstad uit die tijd, met zijn bos van masten. De Indiëvaarders voeren langs Pampus de ruime Zuiderzee over. Hooft kon schier zijn ogen niet opslaan of hij zag schepen gaan of keren. Het middelpunt van de handel was de IJstad. En naar het zuiden uitziende, lagen de lage landen langs de Vecht onder zijn voeten. Meer naar het oosten werd het terrein golvend: de heuvels van het Gooiland met het wazige groen der bomen in de verte.

Dit uitzicht had Hooft vanuit zijn werkkamer. En toch leidde het schone panorama zijn gedachten niet af. In een boeiende stijl beschreef hij wat in ons land zich had afgespeeld, zó, dat het wel schijnt, dat de schrijver toeschouwer is geweest.

Laat ons nog een keer naar hem luisteren.

Hij heeft het over de gebeurtenissen van 1573, toen Haarlem werd belegerd, waarbij ook te water vaak werd gevochten.

Hoor, hoe schilderachtig Hooft het dooiweer beschrijft in Zeeland en Brabant!

„Omtrent dezelve tijd sloeg het aan het dooien, en wiesen door 't ontlaten der sneeuw de vlieten in Brabant tot zulk een hoogte, dat men de nederhuizen tot Mechelen ruimen moest, een stuk muur der stede Leeuwen en ettelijke woningen geveld werden. De Dyl,

ten bedde uitgerezen, perste de veste van Loven te bersten en stortte ter stad in, heen vegende met verscheidene sterke bruggen van steen, uitschurende de grondslag van een groot getal huizen en 't getimmer omver rukkende. Andere, twaalf ellen diep in 't waterstekende, hadden 't kwaad genoeg om zich overeind te houden. De mensen, in zulk een schrik en armoe van uitvlucht, aan 't klimmen naar daken en vlieringen, doorbreken van wanden, elkander met naar en bijster schreeuwen om ladders en schuiten verdovende. Bij vrouwen en kinderen gingen de handen in 't haar of ten hemel, het huilen en kermen alle jammer te boven.

Daarentussen loeide de lucht van 't gedruis, verwekt door de krak, de smak en 't plaatsen der omgeworpen bomen en gebouwen. Stroom, oever, straat, al zag het uit een oog 1 ). Hele heiningen, koffers, spinten, tafels en allerlei huisraad, beelden der heiligen ter kerken, doodkisten en gebeente ten graven uitgespoeld, dreven herwaarts en derwaarts door de verdronken gassen-').

En liep nu de stad gevaar van 't enenmale weggeslorpt en verzopen te worden, als 't water, wijzer dan de verbaasde burgers, zich met geweld, ruim baan maakte, doende omtrent drie uren 's namiddags, ter plaatse zijner gewoonlijke lozing, een poort en rak wals-"*) wijken, daar 't uitvloog, zich verspreidende over 't vlakke veld. Op 't zelfde getijde vernam men een glimmende damp, als een spleet of gaping, bij de Grieken chasma 1 ) genaamd, aan de hemel, en werd zo 't een als 't ander voor teken zijner steurnis genomen.

Met de wissel des weders voort was ook het aangezicht des oorlogs voor Haarlem veranderd, daar nu niet alleen dagelijks te lande, maar ook dikwijls te water gevochten werd."

Hooft gaat dan verder over Haarlems belegeringschrijven, waarop de overgave van de stad volgt.

Luister nu nog even naar de geschiedschrijver als hij de Spanjaarden laat binnenkomen in de gevallen stad.

„Middelerwijle togen de Spanjaarden binnen. Toen moesten ook de Duitsers en Schotten hun geweer boven (d.i. op het Stadhuis) brengen, en zich onder wachte ten dele in 't klooster van Sint Katrijne, ten dele in dat van Sint Ursula begeven. Ook gold het verdrag zo veel niet, of sommige burgerhuizen werden van de Spanjaarden geplunderd.

Thans volgde Don Frederik, vergezelschapt met de Graaf van Bossu en een statig getal edelen, speurende in 't gelaat der stedelingen een nare forsheid en holbuikten honger, die hen ten ogen uitzag.

Al de hoplieden en vaandrigs deed hij terstond verzekeren 5 ) en naar 't huis te Kleef voeren.

's Daags daarna kwam Alva in persoon de legerwerken en stadsvesten rondom te paard bezichtigen, en, zonder binnen te rijden, keerde 's avonds naar Amsterdam.

Meteen hief het woeden aan over de soldaten en eertijds uitgeweken burgers, die bij ettelijke honderden verdelgd werden. En verzwolg men de lust dezer moorddadigheid op één dag niet, maar toefde van tijd tot tijd, als om der wreedheid de smaak te lengen. Die tot biechten verstaan wilden, kregen 't zwaard, die niet, bekochten 't met de koorde. Vijf beuls met hun knapen sloofden zich af aan deze verfoeide arbeid, en de armen bezweken hun van vermoeienis, eer d' onbarmhartigheid des dwingelands moede werd. Dies deed hij nog omtrent driehonderd ellendigen bij paren ruggelings samen knevelen en in de mond der Mere verdrinken."

INDEX.


1) zag er eender uit.

2) straten, stegen,

1 stuk van de oever.

- ) kloof, afgrond.

G ) in verzekerde bewaring brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1950

Daniel | 12 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1950

Daniel | 12 Pagina's