VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan: T.MOLENAAR. Leeds 18.Rollendam Zuid
A. F. Cr. te D. stuurde mij een artikel uit het Gelders Dagblad van 11 Mei 1950, waar boven staat: „Evangelist geworden tuinder spreekt met tragische gevolgen." Hij vraagt mijn oordeel.
A. F. Cr. te D. stuurde mij een artikel uit het Gelders Dagblad van 11 Mei 1950, waar boven staat: „Evangelist geworden tuinder spreekt met tragische gevolgen." Hij vraagt mijn oordeel.
Antwoord: Met een krantenverslag zij men o zo voorzichtig. Het zou niet de eerste keer zijn, dat degenen, die niet mee kunnen gaan met het vrolijk Christendom van onze tijd, voor schuurtjes-of spelonkjesmensen worden uitgemaakt.
Voor de inhoud van dit artikel sta ik dus niet in, omdat mij dit geval niet bekend is. Ik kan mij echter niet ontworstelen aan de gedachte, dat er helaas wel iets van waar is, omdat we een tijd beleven, waarin op „Godsdienstig gebied" o zoveel voorkomt, dat de toets van Gods Woord niet kan doorstaan.
In dit artikel wordt gewag gemaakt van een tuinder, die naar zijn eigen zeggen God zelf had gezien, zijn hele hebben en houden verkocht had en als evangelist de wereld introk.
Zijn volgelingen worden getekend als mensen, met het hoofd schuin naar beneden gericht, met bleke gezichten, verstarde ogen, alsof zij in voortdurende extase leven.
Hoe de volgelingen worden toegesproken blijkt uit het volgende. Tegen een oude vrouw werd letterlijk gezegd: „Meid, steek de poot nog eens tussen de deur, opdat Gods genade eindelijk bij je kan binnenstromen."
Bij begrafenissen schijnt het eveneens nogal eigenaardig toe te gaan. Een toespraak van 2 a 3 uur is heel gewoon, zodat op het kerkhof steeds een colonne E.H.B.O.-ërs aanwezig is om de flauw gevallenen weg te brengen.
Met gebeurt, dat aan een open graf wordt gezegd: „Ik heb je gekend en weet ook, dat je nu in de hel ligt te branden."
Tot de blijde gebeurtenissen behoort, dat men God zelf heeft gezien en dan prompt „heilig" wordt verklaard en met veel onderscheiding wordt behandeld.
Wat nu van al deze dingen te zeggen?
Och een ieder houde zich aan de uitspraken van Gods Woord. Daarin zegt de Heere: „Niemand kan God zien en leven."
Als de volgelingen van die secte dus zeggen, dat zij God gezien hebben, dan is dit verbeelding, leugen en bedrog.
Het ware volk van God leert de Heere kennen door Zijn Woord en Geest en dat is nooit een zien met lichamelijke ogen, maar steeds een kennen en vervolgen te kennen door het geloof in het aangezicht van de Heere Jezus Christus, wijl buiten Hem, de Heere een verterend vuur en een eeuwige gloed is, bij Wie niemand wonen kan.
Het is waar, dat Gods volk openbaar wordt in gelaat, gewaad en praat, maar toch zeker niet door verstarde ogen alsof men voortdurend in extase leeft.
En wat die terminologie betreft, waarmee een oude vrouw wordt aangesproken of waarvan men zich bedient bij begrafenissen, vind ik verschrikkelijk.
Men kan een onbekeerd mens wel anders aanspreken als met „Meid steek de poot nog eens tussen de deur" enz. Ook hierin make men gebruik van de Bijbeltaal en die is niet platvloers maar verheven, als hij zegt: „Wend u naar Mij toe en wordt behouden" of „verlaat de slechtigheden en leef en treed in de weg des verstands."
Het oordeel over een afgestorvene berust niet bij ons. Dat is Gods zaak. Op het graf heeft men zich niet te wenden tot de dode, maar tot de levenden. Ten alle tijde blijft het waar, dat God verheerlijkt is in de dode, hetzij, dat iemand door genade is ingegaan in de eeuwige heerlijkheid of dat de Heere hem of haar naar Zijn rechtvaardig oordeel heeft verwezen naar de plaats van eeuwig „ach en wee."
En eindelijk het „heilig" verklaren van iemand, die „God gezien heeft", spreekt boekdelen. We zijn toch niet Rooms?
Daarom vrienden, men blijve bij de eenvoudigheid van Gods Woord en luistere niet naar het zoet gefluit van de vogelaar, die het aanlegt op uw ondergang.
Men stelle zich onder de ambtelijke bediening van Gods Woord en betrede geen zijpaden.
.Jongeling» Verteen. te B. vraagt: Hoe is het gezegde van Petrus in Mark. 14 : 29 te verklaren, daar hij toch in het 19e vers ook gezegd had: Ben ik het Heere? "
Antwoord: Als de Heere Jezus met Zijn discipelen het Paasmaal gebruikt, zegt Hij: „Voorwaar Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden." Dit wooid maakt op hen zulk een indruk, dat zij bedroefd worden en dat de een na de ander tot Hem zegt: „Ben ik het? "
Zij begonnen bedroefd te worden. Gelijk de herinnering aan hun vroegere zonden, zo kan ook de vrees om wederom in zonde te vallen het liefelijke van hun geestelijke feestvieringen verbitteren en hun blijdschap benevelen.
Zij begonnen zichzelf te verdenken. Zij verdienen lof wegens hun Christelijke liefde, die hen drong om eerder zichzelf dan elkander te verdenken. Het was de wet der liefde om het beste van elkander te hopen, omdat zij het kwaad in zichzelf zeker wisten, konden zij er zichzelf ook met meer recht van verdenken. Zij betrouwden meer op Christus' woorden, dan op de inspraken van hun eigen hart, waarom zij niet zeggen: „Ik weet zeker, dat ik het niet ben, " maar: „Ben ik het Heere? " Zie of er zulk een schadelijke weg in ons is en leidt ons op de eeuwige weg.
Het antwoord van de Heere Jezus stelt hun gerust als Hij zegt: „Gij zijt het niet, en gij niet, hij is het, die met Mij in de schotel indoopt."
Als de Heere Jezus de verrader heeft aangewezen, het avondmaal ingesteld en de lofzang gezongen had, zegt Hij: „Gij zult in deze nacht allen aan Mij geërgerd worden."
We zouden verwachten, dat de discipelen weer tot zelfonderzoek zouden komen, zoals te voren, maar neen, nu is er geen sprake van. Voor Petrus is het te veel en hij zegt: „Of zij ook allen geërgerd wierden, zo zal ik toch niet geërgerd worden."
Hoe is dit nu te rijmen? Eerst vertrouwt Petrus ^ichzelf niet en nu is hij zo overmoedig, dat hij de ergernis wel mogelijk acht bij de anderen, maar niet bij zichzelf.
Toen zij uitgingen naar de Olijfberg was Judas al vertrokken en was hij druk bezig zijn snode plannen van verraad uit te voeren.
De overigen koesterden hoge gedachten van zichzelf. Zij zouden wel bij hun Meester blijven, toen Judas Hem had verlaten.
Maar Christus zegt hun, dat zij, hoewel zij door Zijne genade bewaard zullen blijven van Judas' afval, toch volstrekt niet te roemen zullen hebben op hun standvastigheid.
Petrus gevoelt er zich gans zeker van, dat hij zich niet zo slecht zal gedragen, als de overige discipelen. Hij denkt zich niet slechts sterker dan de anderen, maar zoveel sterker, dat hij de schok der verzoeking gans alleen zal kunnen weerstaan, dat hij standvastig zal blijven, al is er ook niemand bij hem.
Christus zegt hem echter, dat hij slechter zal handelen dan een der anderen.
Toch zegt Petrus: „Al moest ik met U sterven!" zo zal ik U geenszins verloochenen. Zo iets heeft Judas niet gezegd. Die zondigde met voorbedachten rade. Petrus door verrassing.
Judas heeft de ongerechtigheid bedacht maar Petrus is door deze misdaad overvallen. Petrus heeft slecht gehandeld toen hij zijn Meester tegensprak. Had hij maar gezegd: Heere, bewaar mij voor die zonde, leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van de boze, dan zou het voorkomen zijn, maar nu was de stad stil. De discipelen i.z.h. Petrus vertrouwde op eigen kracht. Verlost zijnde van hun vrees van Christus te verraden, meenden zij nu veilig te zijn.
Maar hij die staat, moet leren toezien, dat hij niet Valle; en wie zich aangordt, moet zich niet beroeme als die zich losmaakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1950
Daniel | 12 Pagina's