JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

GEWIJDE GESCHIEDENIS O.T.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEWIJDE GESCHIEDENIS O.T.

4 minuten leestijd

2 Samuël 1—4.

DAVID, KONING TE HEBRON.

1. Onder welke omstandigheden. 2. Met welke gevolgen.

Op de derde dag na Davids terugkeer uit de strijd tegen de Amelekieten, kwam er tot hem te Ziklag een bode met gescheurde klederen en aarde op zijn hoofd ten teken van diepe rouw.

De man bracht het bericht van de nederlaag van het Israëlietisehe leger en de dood van Saul en Jonathan.

Hij deelde David mede, wat er op Gilboa gebeurd was en ten teken, dat hij de waarheid sprak, bracht hij de kroon en de armsieraden des konings tot David.

Toch loog deze man, wat duidelijk blijkt uit 1 Samuël 31.

Hij verzon dit verhaal om een goede beloning te ontvangen.

Op het horen van de tijding, dat Saul en Jonathan gevallen waren, scheurde David zijn klederen en weende en vastte tot de avond over de dood van Saul en Jonathan en over de nederlaag van Israël.

De boodschapper werd door een van Davids knechten gedood.

Het boek des oprechten, waarvan ook sprake is in Jozua 10 : 13 bevat ean verzameling van krijgsliederen of volksliederen.

Een bewijs van Davids welgemeende droefheid ligt wel in het klaaglied, dat de koning bij die gelegenheid dichtte.

In dit lied wekt hij de kinderen van Juda op zich te oefenen in het boogschieten.

Nu Saul dood is, behoeft David niet meer in het vijandelijk land te blijven.

Hij vraagt de Heere om raad, Die hem toestemming geeft om te vertrekken en zich te vestigen te Hebron.

Nu werkte de Heere zo in het hart van de mannen van Juda, dat zij David tot koning uitriepen en hem zalfden.

Op een wettige wijze wordt David Koning en ook hier blijkt: „Hij, die IJ roept is getrouw."

Zeven en een half jaar heeft hij alleen over Juda geregeerd.

Over de andere stammen is David niet eer koning geworden dan na veel strijd.

Deze strijd kwam van de zijde van Abner, de krijgsoverste van Saul.

Deze maakte de veertigjarige zoon van Saul, Isboseth, ook wel Esbaa.1 genoemd, koning over Israël.

Als God niet anders beschikt had, zou deze vierde zoon van Saul wel enig recht op de troon gehad hebben, hoewel de zoon van Jonathan, Mefiboseth, zeker nog groter aanspraak had kunnen doen gelden.

Misschien werd deze voorbij gegaan omdat hij kreupel was en nog te jong.

Israël had dus nu twee koningen en dit gaf aanleiding tot verdeeldheid en strijd.

De burgerstrijd was bloedig.

De vijandschap bleef vele jaren voortduren.

David werd hoe langer hoe sterker en van Isbosetli vielen er velen af.

De macht van Abner in het huis van Saul nam gestadig toe.

De zwakke Isboseth werd naar de achtergrond gê-* drongen.

Tenslotte bood Abner David zijn hulp aan om heel het land onder zijn macht te brengen.

Onder bepaalde voorwaarden wordt die hulp aanvaard.

Dit stuitte Joab tegen de borst.

Maar ook Joab was niet oprecht.

Zijn hart was vervuld met wraak, omdat Abner zijn broeder Asahel gedood had.

Ook was hij bevreesd dat Abner hem afbreuk zou doen.

Op zeer verraderlijke wijze heeft Joab Abner gedood.

David toonde heel duidelijk aan het volk dat hij onschuldig was aan de dood van Abner. Zelfs maakte hij over hem een weeklage.

Twee oversten van Isboseth, Baëna en Rechab, meenden David een dienst te doen met Isboseth uit de weg te ruimen.

Zij dachten door David wel met eerbewijzen overladen te worden, maar David gaf bevel om deze moordenaars te doden.

Uit deze geschiedenis blijkt, dat in het hart van David de vreze des Heeren woonde maar vooral dat de Heere op Zijn tijd Zijn belofte vervult.

David is niet omgekomen omdat het door Gods Geest gewerkte geloof, de zenuw van zijn kracht was.

Daarom kon David en kunnen al Gods kinderen in dagen van tegenspoed zingen:

„Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven. Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God waar was mijn hoop, mijn moed gebleven Ik was vergaan in al mijn smart en rouw."

Ds A. DE BLOIS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1950

Daniel | 12 Pagina's

GEWIJDE GESCHIEDENIS O.T.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1950

Daniel | 12 Pagina's