JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DENKERS in de „donkere" Middeleeuwen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DENKERS in de „donkere" Middeleeuwen

5 minuten leestijd

(2.)

ORIGENES. (185—284.) Zagen we de vorige maal dat volgens Tertullianus geloof en wetenschap antithetisch tegenover elkaar staan, geheel anders was de opvatting van Origenes, een Kerkvader uit de Alexandrijnse School. Deze stelde het als volgt: geloof en wetenschap moeten samenwerken, maar de wetenschap is de hoogste vorm van kennis. Het geloof is hiervan a.h.w. het voorportaal.

Geloof is daarom goed voor eenvoudigen, maar ontwikkelden hebben daaraan niet genoeg. Het is de taak van de theologie om de geloofsinhoud te ontwikkelen tot een wetenschap.

De heidense filosofie sloeg hij hoog aan. Die was niet minder dan een openbaringsvorm van het Christendom, evenals de openbaring door Mozes en de profeten. Natuurlijk waren deze openbaringen nog wel omsluierd. De volle, klare waarheid was eerst in Christus geopenbaard. In deze opvattingen sloot hij zich aan bij Justinus de Martelaar, die in 165 na Chr. stierf.

Bekend is van Origenes het volgende beeld ter verdediging van zijn stellingen: Toen de Israëlieten uit Egypte trokken, moesten ze op bevel des Heeren van de Egyptenaren gouden en zilveren vaten afeisen. Met die van oorsprong heidense vaten moesten ze in de woestijn de Heere dienen. Zo moesten ook volgens hem de waarheden die door de Heidense wijsgeren gevonden waren, dienen voor het Christendom. Zij leverden de bouwstoffen voor de theologie. Natuurlijk komt de wijsbegeerte op tal van punten in strijd! met klare uitspraken van de Heilige Schrift. Maar ook daar had Origenes zijn oplossing voor en wel in de zogenaamde allegorische schriftverklaring, waarbij men aan elk Bijbelwoord een uitleg kan geven, die past in een van te voren opgesteld schema!

En zo kunnen we begrijpen, dat Origenes, steunend op de Bijbel, toch komt tot stellingen die in flagrante strijd zijn met de duidelijke leer des Bijbels. Om slechts iets te noemen: de wereldschepping is bij hem een eeuwighcidsproces; ook leert hij de wederherstelling aller dingen, dat wil zeggen dat alle geesten, zo van engelen als van duivelen, weer tot God teruggebracht zullen worden.

Vergelijken we de standpunten van Tertullianus en Origenes, dan zouden we geneigd zijn te kiezen voor het standpunt van Tertullianus, hoewel ook dat niet vrij is van eenzijdigheid.

Een meer bemiddelend standpunt werd ingenomen door Augustinus en de Scholastieken. Zij stelden het zo: de wetenschap (filosofie) is de dienstmaagd van de theologie.

AUGUSTINUS (354—430) was de eerste grote denker na Origenes. Hij stelt voorop dat God de bron van alle ware wijsheid is en tevens dat God het hoogste voorwerp van alle kennis is. Hij is het hoogste goed, de volkomen schoonheid. „Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig in ons tot het rust in U, o Heere." We kunnen over Augustinus niet uitvoerig zijn. Als kerkvader is hij uitnemend behandeld in een drietal artikelen in de eerste jaargang van Daniël.

Zijn filosofisch systeem te ontleden zou ons te ver voeren.

Van belang is het dat we kunnen opmerken, dat bij Augustinus het geloof de centrale plaats inneemt. De wil om dingen te geloven, die we niet begrijpen, noemt hij een gave Gods.

Tenslotte nog iets over de:

SCHOLASTIEK. Onder de naam scholastiek vat men samen die Middeleeuwse filosofie, die zich ten doel stelt de officiële kerkleer begrijpelijk en aannemelijk te maken voor het verstand. Duidelijk treedt hier naar voren de dienende taak die men aan de wetenschap toekende ten opzichte van de theologie. De theologie is niet in tegenspraak met de wetenschap; geloven en weten zijn eigenlijk één.

We willen er dadelijk op wijzen, dat het uitgangspunt van de scholastiek fout was.

Het Christelijk geloof is niet aannemelijk te maken voor de rede, door de rede. Leert Gods Woord niet duidelijk dat de mens verduisterd is in het verstand en dat de natuurlijke mens niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn?

ANSELMUS (overl. 1109), aartsbisschop van Canterburry, is de eerste grote Scholasticus geweest. De eenheid tussen geloven en weten drukt hij uit in deze woorden: „Ik zoek de kennis niet om daardoor tot het geloof te komen, maar ik geloof om daardoor kennis te krijgen."

Door de natuurlijke rede kan men volgens hem kennis bekomen van het bestaan van God. Langs een vrij diepzinnige redenering komt hij tot het zogenaamde ontologische bewijs voor het Godsbestaan, (ontologie = de leer van het zijnde.) Ook bij Thomas van Aquino, de grootste der Scholastici, treffen we bewijzen aan voor bet godsbestaan. Hij volgt daarbij de gedachtengang van Aristoteles.

En dit is nu één van de kenmerken van de Scholastieke wetenschap, dat men die bewijzen erkende als echte bewijzen, met een dwingende kracht. De ongelovigen, die zich door deze bewijzen niet lieten overtuigen van het bestaan van God, waren onwilligen.

Later heeft de wijsgeer Kant deze zogenaamde bewijzen ontzenuwd. Ze hebben voor de natuurlijke rede geen dwingende kracht, onder meer omdat veelal hetgeen bewezen moet worden (namelijk het bestaan van God), reeds voorondersteld wordt (dat wil zeggen, dat het een onderdeel van de redenering uitmaakt, )

Voorts: zeer terecht is opgemerkt, dat wij Gods bestaan nooit kunnen bewijzen, omdat iets dat wij bewijzen als het ware in onze macht moet zijn; ondergeschikt is aan onze rede. Zou God door de rede te bewijzen zijn, dan zou Hij ophouden God te zijn.

Bavinck merkt ergens op in zijn Dogmatiek, dat de zogenaamde bewijzen geen gronden voor het geloof kunnen zijn. Wel kunnen ze zijn vruchten van het geloof, in die zin namelijk, dat degene die door God Zelf met het geloof in Hem begiftigd is, óók bijv. in de hem omringende natuur een getuigenis ziet tot bevestiging van dat geloof. „De hemelen verkondigen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1950

Daniel | 8 Pagina's

DENKERS in de „donkere" Middeleeuwen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1950

Daniel | 8 Pagina's