Jodocus van Lodenstein
(6.)
De predikatiën van Lodenstein waren altijd eenvoudig. Zijn ideaal was steeds het practisch Christendom; de heiligheid des levens te bevorderen, toen bij velen rechtzinnigheid in de leer als het éne nodige gold, terwijl de grote menigte de rijkdom, waarover zij kon beschikken, gebruikte om aan hartstochten en zonden dc vrije teugel te vieren.
De rampen, die het land troffen, beschouwde hij als de voorboden van Gods naderend oordeel over een diep bedorven volk.
In de Engelse oorlog, die in 1665 was uitgebroken, zag hij een teken, dat de tuchtroede gereed lag, dat God het volk, hetwelk Hij had groot gemaakt, zou verderven.
Wereldsgezindheid en zedeloosheid waren in de dagen van Lodenstein groot. Daarom trachtte hij door zijn prediking van het practisch Christendom de godsdienst te maken tot een zaak des harten; riep hij steeds de zondaars het „bekeert u" toe en bestrafte de zonde gestreng.
Om de „Nadere Reformatie" nog meer te bevorderen hield Lodenstein afzonderlijk catechisatiën, waar öf de gehoorde preek öf andere punten met betrekking tot de practijk der godzaligheid besproken werden. Reeds te Zoetermeer hiermee begonnen, zette hij dit te Utrecht voort. Te Utrecht deed hij dit vier maal per week: Zondagsmiddags om 4 uur, Dinsdags-, Woensdags en Vrijdagsavonds. Boven dit alles bezocht hij vaak zowel aanzienlijken als geringen, waarmee hij gewoonlijk de ganse dag doorbracht. Toen in 1664 in Utrecht de pestziekte uitbrak ging Lodenstein de woningen van hen, die door deze vreselijke ziekte waren aangetast, niet voorbij, maar was te ieder uur bereid, aan ziekof sterfbed te verschijnen en de kranken toe te spreken. Was hij zelf ziek, dan nog ging zijn zorg uit naar de bewoners van zijn wijk.
Wanneer Ds Kruger, die dan zijn werk waarnam, hem bezocht, waren altijd zijn eerste vragen: „Hoe staan de zaken in mijn wijk? Zijn er ook zieken? Bezoekt gij ze ook naarstig? Hebben ze genoeg om te leven? Hoe varen ze naar hun zielen? "
Lodenstein troostte de zieken en armen niet alleen met woorden. Voor de zieken liet hij in zijn keuken klaar maken, zonder er zelf van te proeven. In de winter werden wollen kleren en dekens vanuit zijn woning naar de armen gebracht. Voor de Protestanten in de valleien van Piëmont heeft hij ook veel gedaan. Toen zij in 1661 hevig vervolgd werden, was Lodenstein diep bewogen over het lijden van zijn geloofsgenoten. Zijn hoorders wekte hij op rijkelijk te geven. Spoedig smaakte Lodenstein dan ook het genoegen de verdrukten een som van ƒ 3740 te kunnen overzenden. Enkele maanden later zond hij hun nog een som van ƒ 3450. Door bijna iedereen werd Lodenstein hooggeacht. Zelfs een roomse zegt van hem: „Was hij onder ons geweest, wij zouden hem voor een heilige houden."
En toch had hij ook zijn vijanden. De tegenstand, die hij ondervond, drukte hem zwaar. Ja, die tegenstand werd zelfs zo groot, dat hij enige jaren vóór zijn dood zijn ambt wilde neerleggen. Door zijn ambtsgenoten en vooral door Voetius werd hij van dit plan afgebracht.
Van de Christelijke feestdagen moest Lodenstein niets hebben. Om de mensen gevoelig te doen worden voor het leven en het lijden van de Heere Jezus, zo zegt hij, hebben de roomsen de feestdagen bedacht. Zo gaan zij in de koude Kerstnacht het kindje wiegen, hetgeen niet anders dan afgoderij is.
Het moet feest zijn in uw hart, zegt Lodenstein, maar niet daarbuiten. De geboorte van de Heere Jezus kan men even goed op elke andere tijd gedenken. De feestdagen zijn werkdagen, zo goed als de overige; alleen de Zondag niet, want deze is door God ingesteld. De feestdagen zijn „bij tolerantie" in de kerk toegelaten, maar: „heeft men niet altijd gezeid dat 'et beeter was dats' er niet en waaren? " Lodenstein's conclusie is dan ook: „men moet de feestdagen niet houden."
In de strijd over de sabbat heeft Lodenstein zich ook gemengd. In de 17e eeuw pleitte Burs voor een ruimere opvatting van de sabbat. Voetius en Teellinck weerlegden hem en toonden aan, dat de Zondag gehouden moet worden krachtens het vierde gebod en niet volgens een kerkelijke verordening. Vanzelfsprekend stond Lodenstein aan de zijde van Voetius. Krachtig dringt hij er op aan de „Sabbatdag te heiligen." In de Nicolaï-kerk' zei hij eens: „Men moet zich eerstelijk, des daags te voren bereiden, volgens de woorden: „Gedenk den Sabbat", en des morgens wakker geworden zijnde, zich w r eder bereiden. De dag gekomen zijnde moet men eerst voormiddags in de kerk komen, desgelijks ook na de middag. Thuis gekomen zijnde in zijn kamer gaan en tot God biechten, zonder enig ander werk op de dag te doen. Ja zo iemand enig werk doet, het geld, dat hij daarmede komt te winnen, zal in de dag zijns doods als kolenvuurs op zijn hart liggen. Men mag ook niet buiten wandelen, ook niet op zijn stoep voor zijn deur zitten, zoals ik naar de kerk komende al gezien heb."
Over de dichtwerken van Lodenstein behoef ik niet te schrijven, daar dit reeds door „Index" is gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1950
Daniel | 12 Pagina's