Van het Zendingsveld
(43.)
J. T. v. d. Kemp. Teleurstellingen.
Nadat de Kafferkoning had bemerkt, dat Van der Kemp niet met kwade bedoelingen kwam, gaf hij permessie om de tenten op te slaan bij de rivier. De wagens werden nu naar de rivier gereden en er volgde nu een hele drukte om zich gereed te maken voor dc nacht. Eindelijk was er nu een vast punt waaruit gewerkt kon worden in de omgeving.
Als allen heerlijk uitrusten, loopt de zendeling nog rusteloos rond. Hij wil gaan schrijven in zijn dagboek, maar ach, de inkt is onderweg verloren gegaan en een potlood heeft hij ook niet. Er wordt in de omtrek naar inkt gevraagd, maar niemand heeft het. Wat moet de leider doen?
Zijn ogen zien spiedend rond naar de planten die er groeien. Een plant wordt uitgetrokken, de wortel nauwkeurig bekeken; met een zakmes wordt in die wortel gesneden, en ziedaar... een schittering komt er in de ogen van Van der Kemp. Uit dc roodachtige wortel komt zwart sap. Nu is hij gered. De wortel wordt in stukjes gesneden en in een pannetje aan de kook gebracht, nadat eerst wat spijkers er bij zijn gevoegd.
Ha, wat een mooie, zwarte kleur. De zendeling heeft zelf inkt gemaakt. Daar gaat de pen al over het papier. Lees maar wat hij schrijft:
„Broeder Edmonds en ik sneden lang gras in repen om een strooien dak te maken en ik hakte bomen om in het bos. Ik knielde neer op het gras en bad, of vanonder dit dak het zaad van het Evangelie naar het noorden door heel Afrika mocht verspreid worden."
Hoe moeten zendelingen zich behelpen! Hoe groot moet de liefde tot hun werk toch zijn om staande te blijven en niet terug te keren tot een geordende maatschappij !
't Werd voor Van der Kemp een zeer moeilijke taak om de Kaffers te winnen voor zijn vreedzaam werk. Naakte jongens en meisjes verzamelde hij in een huis van stro gemaakt. Die kinderen kwamen naar school en de zendeling was de meester. Na de lessen werkte Van der Kemp in de tuin, door hem zelf aangelegd. Ook de kinderen mochten hem helpen. Het lijkt daar wel een stukje Holland. We zien er bedjes sla en wortelen, een veld met aardappelen; bessen, perziken en abrikozen rijpen in de heerlijke zonneschijn. Hoe vredig is alles!
Maar... zo is het niet elke dag. 's Nachts snuffelden wolven in de buurt van de nederzetting. Dan weer komt het ontstellend bericht, dat ze van plan zijn de zendeling te vermoorden. Edmonds en de tolk verlaten de plaats. De overigen zijn doodsbenauwd om te blijven. Van der Kemp verliest de moed niet. We moeten respect hebben voor zijn koelbloedigheid. De Kafferkoning wantrouwde hem en Van der Kemp besloot ten slotte een andere plaats op te zoeken en te gaan werken onder de Hottentotten, die in de kolonie van de blanken woonden.
In de gemeente van Graaf Reinet, meer zuidwaarts, werd nu een school gebouwd en een tehuis ingericht, waar 's Zondags een groot gezelschap Hottentotten aandachtig luisterde naar de zendeling. De aandachtige toehoorders waren arme mensen, die voor weinig loon op de landerijen van de kolonisten gedwongen werden te werken en niet in staat mochten gesteld worden om voor zichzelf te arbeiden.
Hoe schoon zou het saam-vergaderd-zijn op de Rustdag kunnen wezen, maar ach, ook hier kwam geweldige tegenstand. Nu niet van de Kafferkoning, maar van de blanke kolonisten. De boeren wilden niet hebben, dat de Hottentotten ontwikkeld werden. Die zendeling stookte dat volk maar op. Hoe kon die toch menen, dat Hottentotten en blanken op gelijke voet behandeld moesten worden? Neen, dat moest niet. Van der Kemp werd door de boeren gehaat. Het leven werd hem onmogelijk gemaakt.
Dan weer maar de tenten opgerold en de ossen voor de wagens gespannen. Het land is ruim genoeg. Wel 160 mijlen trok de onvermoeide zendeling door het land. Een grote menigte Hottentotten volgde de blanke man, het vee meevoerend naar een veiliger oord. Die veiliger plaats zou Bota Place zijn. Daar zette het gezelschap zich neer.
Ongelukkig echter waren in die tijd de Hollanders en Engelsen in oorlog, zodat het een verwarde boel was. De boeren zagen met lede ogen aan, dat er een zendeling kwam, die durfde zeggen, dat zwarten en witten gelijk waren.
Veilig zou Van der Kemp hier niet zijn.
Een Hottentot had horen zeggen, dat de nederzetting zou aangevallen worden. Geheel overstuur kwam die man het de zendeling bekend maken: „Ze willen ons vannacht aanvallen, vader."
In een ommezien was dit ontzettende nieuws in het kamp van Van der Kemp bekend. Er kwam grote ontroering. De zendeling bleef kalm. Hij riep al het volk bij de wagens, die in een grote boog werden: opgesteld. De vrouwen en kinderen werden naar de hutten gebracht. „Laat niemand bang zijn, " sprak de oud-militair, „God staat ons terzijde. We hebben niets te vrezen. Niemand mag schieten vóór hij aangevallen wordt. Allemaal rustig blijven binnen de stelling."
De mannen werden nu onder de wagens opgesteld met het geweer in de aanslag. Uitdrukkelijk werd verboden te vuren vóór de leider het zou zeggen. Tegen middernacht werd het in de verte licht van de laaiende fakkels der aanvallende boeren. Enige Hottentotten werden bang en wilden vluchten. „Blijven!" was het rustige bevel van de aanvoerder.
„Zullen we schieten, meester? " vroegen enkele anderen.
„Wachten, " luidde het antwoord.
Het licht van de fakkels laaide helderder op en duidelijk was het schreeuwen der boeren te horen. Plotseling knalden de geweren van de aanvallers en de kogels floten over de wagens en hutten heen.
„Vuren!" brulde Van der 1 Kemp. De Hottentotten schoten hun geweer af. „Vuren!" klonk het nogmaals.
't Was een vreselijk lawaai: het geknal der schoten, overstemd door de rauwe krijgskreten der Hottentotten, terwijl in de hutten de vrouwen gilden en de kinderen niet te stillen waren.
Van der Kemp stond tussen de spaken van een wiel van een grote ossenwagen het gevecht gade te slaan. Ook hij vuurde mee. Daar zag hij, dat de fakkels verspreid werden over de vlakte. De boeren gingen op de vlucht. Geen schot werd meer gelost, 't Was heel stil nu, na het grote rumoer.
Daar klonk de kalme stem van Van der Kemp:
„God heeft zijn vijanden verstrooid." En de Hottentotten zagen hun „vader" neerknielen bij de wagen en hoorden hem bidden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1950
Daniel | 12 Pagina's