Van het Zendingsveld
(42.)
J. T. v. d. Kemp. Naar de Kafferkoning.
We moeten de mening niet zijn toegedaan, dat een zendeling maar terstond kan gaan prediken, wanneer hij in zijn zendingsgebied is aangekomen. Zoals in de oorlog, moet eerst het terrein terdege verkend worden. Er moet kennis opgedaan van de situatie waarin de bevolking verkeert. De landsgebruiken, de zeden en gewoonten, moeten vooraf grondig bestudeerd worden, anders loopt alles falikant mis. Een zendeling moet een manusje van alles zijn. Wijsheid, tact, moed, geduld en een godvruchtig gemoed zijn zeer belangrijke voorwaarden tot het slagen van het gewichtige werk. Bovendien, en dat is tenslotte bij elke onderneming, moet de zegen des Heeren het werk bekronen. Alles moet uit en door en tot Hem zijn.
In de Kaapkolonie, die bij aankomst van Van cler Kemp in Hollandse handen was, heersten toestanden, waartegen de zendeling al terstond moest ageren. Het land had steeds aan de Kaffers en Hottentotten behoord, en nu waren de blanken gekomen. Behalve Hollanders, zaten er ook Engelsen en Fransen, die de oorspronkelijke bewoners als minderwaardigen beschouwden en ze tot slaven vernederden. Op de grote ondernemingen van de wit-mensen moesten de zwartjes werken en flink ook. Zo niet, dan zou de zweep er wel aan te pas komen,
In Kaapstad, de voornaamste plaats in de Kaapkolonie, beliep het aantal slaven wel 6000. Aan deze mensen verkondigde Van der Kemp wel vier keren per week het Evangelie. Aan het Londens Zendingsgenootschap schreef hij: „Deze ongelukkige schepsels worden naar de vreselijke wetten van dit ellendige land, als beesten verkocht en van hun kinderen gescheiden door monsters, die zich Christenen noemen. Ik bedoel niet, dat alle slavenhouders even wreed zijn in deze ontzettende handel, maar toch beroven de besten onder hen de slaven van de geringste vrijheid."
Al spoedig bemerkten de inboorlingen, dat er een man in hun midden was, die zich hun ellendig bestaan aantrok. Met liefde en grote achting werd over dc zendeling gesproken. Zelfs werd hij door dc kleurlingen „vader" genoemd.
Doch dit alles baatte niet, zolang de wetten van kracht waren, die geen verbod bevatten om de slavernij en mishandeling te niet te doen. Hoè Van der Kemp ook tegen de misstanden opkwam, het hielp hem niet: de blanken stonden, wettelijk dan, in hun recht.
Nu rijpte bij de zendeling het plan, om de Kaffers en Hottentotten te gaan bezoeken in het binnenland, waar ze nog vrijheid hadden en niet onder de duim der blanken zaten. Een Engelse collega van Van der Kemp, John Edmonds, zou hem vergezellen. Edmonds had grote bewondering voor de Hollandse zendeling. Hij schreef: „De waardige Dr van der Kemp besloot naar het Kafferland te gaan, hoewel volgens mij hemel en aarde en hel er alle tegen zijn. Hij is een bizondere, wonderlijke man. Ik zeg wat ik altijd gezegd heb, dat ik niemand weet met wie ik liever voor de zending zou willen werken dan met broeder Van der Kemp."
Het was een grote drukte, toen het reisgezelschap vertrok in de Meimaand van het jaar 1799 uit Kaapstad naar de binnenlanden. De straten stonden vol nieuwsgierigen. Vooral de Kaffers lieten zich niet onbetuigd. Geen wonder! De blanke man, hun „vader", vertrok naar het land hunner vaderen.
Zie daar in-gedachten de lange rij wagens wegrijden, nagewuifd door honderden mensen. Op de eerste wagen zitten Van der Kemp met zijn vriend Edmonds en de Hottentotse gids Bruntjie. Over de uitgestrekte kale velden gaat het in de richting van de Grote Visrivier, waarachter Gaika, de koning der Kaffers, resideert. Weken lang duurt de reis. 's Avonds worden de ossen uitgespannen op een geschikte plaats om te overnachten. Een kampvuur wordt ontstoken en enkele mannen worden als wachten uitgezet met de speer bij de voet. Wee degene, die in de nacht met boze bedoelingen het kamp durft te naderen! Toch is er moed toe nodig om zich rustig te slapen te leggen: in de verte klinkt door de stille nacht het brullen der leeuwen!
Na enige nachten zo doorgebracht te hebben, krijgen de reizigers in het vervolg echt bezoek. Op hun kleine paardjes zijn Hollandse boeren naar het kampvuur gereden. Het grote nieuws heeft zich in de hele omgeving verspreid: de Hollandse zendeling Van der Kemp trekt naar Kafferland. En hoor nu, de zendeling spreekt Hollands en de Afrikaanse boeren, die afstammen van voortrekkers uit Nederland, verstaan die taal. 't Wordt een aangenaam samenzijn. Van der Kemp leest uit de Bijbel voor. Een vredig toneeltje in het Zuid-Afrikaanse land.
„Blijf hier, meneer Van der Kemp", vragen de boeren. „We bouwen dan een kerkje en dan bent u onze predikant."
De zendeling schudt het hoofd en spreekt: „Ik moet verder, naar het land van koning Gaika."
„Laat die Hottentotten en Kaffers toch doen. We hebben zoveel hinder van die Kafferinvallen. Blijf hier, en help ons strijden tegen Gaika, " smeken de boeren.
„Ik ga naar die mensen om vriendschap te sluiten met hen, " is het antwoord.
Het reisgezelschap naderde nu langzamerhand de grens van Graika's land. Twee mannen werden uitgezonder om de Kafferkoning van de komst te verwittigen. Ze werden vriendelijk ontvangen. De blanke man zou welkom zijn, en als teken daarvan brachten ze een tabaksdoos van Gaika mee. Die tabaksdoos zou het gezelschap vrije toegang schenken in het Kafferland.
Na een reis van vier maanden kwam Van der Kemp met zijn gezelschap het hoofdkwartier van de Kafferkoning binnen. Laten we de zendeling zelf maar het woord geven. Hij schrijft:
„Nadat we ongeveer tien minuten in onzekerheid gewacht hadden, naderde statig en plechtig de koning, die aan elke kant door een van zijn aanvoerders werd begeleid. Hij was gehuld in een lange mantel van panterhuiden en droeg een koperen diadeem en nog één van kralen om zijn hoofd. In zijn hand had hij een ijzeren kiri en zijn wangen en lippen waren rood geverfd. Ongeveer twintig passen van ons vandaan bleef hij staan en toen gaf een van zijn kapiteins te; kennen, dat hij de koning was. We stapten toen op hem af en tegelijkertijd liep hij naar ons toe. Hij gaf ons zijn rechterhand, maar zei geen woord. Ik overhandigde hem toen zijn tabaksdoos, die we met knopen gevuld hadden. Hij pakte die aan en gaf hem aan een van zijn adjudanten. Op een afstand achter hem stonden zijn kapiteins en zijn vrouwen in de vorm van een halve maan en op een grote afstand dc rest van het volk. Al die tijd bewoog hij zijn ogen niet en veranderde er niets in zijn gelaatstrekken."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1950
Daniel | 8 Pagina's