JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Jodocus van Lodenstein

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jodocus van Lodenstein

4 minuten leestijd

(V.)

De week van 7—14 November was dus voor Lodenstein een week met zeer veel wederwaardigheden geweest. Hoe stonden inmiddels de zaken in Utrecht? Met de intendant was men tenslotte overeengekomen, dat de gehele provincie vier en een halve ton goud zou opbrengen, waarvan twee en een halve ton afbetaald moest zijn, vóórdat het garnizoen de stad zou verlaten. Het aantal gijzelaars werd van 14 op 20 gebracht, terwijl Ds van Henghel vervangen werd door Ds van Vliet, een vriend van Lodenstein. 13 November werd Utrecht ontruimd door de Fransen, hetgeen onder de burgerij een uitbundige vreugde veroorzaakte. Men vertoonde zich met oranjelinten en sjerpen op straat en weldra wapperde van alle torens de oranjevlag. De schildwachthuisjes der Fransen werden stuk geslagen en verbrand, terwijl uit de Domkerk de beelden verwijderd werden door een opgewonden volksmenigte. Gedurende dit alles zaten de gijzelaars op het fort Nieuw-Rees gevangen. De intendant Robert had verzocht de gijzelaars goed te behandelen en hun toe te staan, dat zij correspondentie voerden met wie zij wilden. Van een rijk heer uit Kleef ontvingen de gijzelaars ƒ 1500.— om het nodige te kunnen kopen en tevens voorzag hij hun tafel menigmaal van wildbraad. Al was de behandeling op het fort Nieuw-Rees vrij goed, toch stond voor Lodenstein deze gevangenschap gelijk met een verbanning naar Patmos. Lodenstein schreef dit 21 December 1673 in een brief aan zijn vrienden in Utrecht. Toch blijkt uit deze brief, dat Lodenstein mocht berusten in de wegen des Heeren. Ook komt dit uit in de vier gedichten, die Lodenstein tijdens zijn gevangenschap heeft gedicht. Toch verlangde hij sterk naar zijn vaderland. Want al was de behandeling vrij goed, toch waren er nog vele ongemakken. Met twaalf zijner lotgenoten deelde Lodenstein een kleine slaapkamer, waarïh de bedden op de vloer waren gespreid en slechts bij uitzondering' kreeg hij gelegenheid, schoon ondergoed aan te trekken. De gevangenschap zou evenwel langer duren dan Lodenstein vermoed had. De reden hiervan was, dat de som geld die Utrecht nog aan de Fransen schuldig was, niet spoedig werd afbetaald.

Dit talmen met de betaling begon de intendant te vervelen, zodat hij de gijzelaars met harde straffen bedreigde, indien er niet meer haast mee gemaakt werd. Lodenstein schreef hierover aan een lid van een regeringscollege te Utrecht. Eén der gijzelaars was ontboden bij de bevelhebber van het fort, die hem een brief van Robert gaf, waarin de gevangenen met een harde behandeling werden bedreigd, indien Robert niet binnen acht dagen zou hebben vernomen, hoe het met de afbetaling der brandschatting stond. De gijzelaars hebben toen Lodenstein verzocht over deze zaak een brief te zenden naar Utrecht, met het verzoek, het geld binnen de bepaalde tijd bijeen te brengen. Hierop vaardig-

den de gedeputeerden der Staten-Generaal een aanmaning uit, dat alle inwoners van de provincie Utrecht geld bijeen zouden brengen, desnoods door verpanding van juwelen, goud-en zilverwerk. Het duurde nog ruim een maand voor de vereiste som bijeengebracht was. 2 Februari 1674 vertrokken cle commissarissen met tien wagens vol geld naar Arnhem, waar de volgende dag de uitwisseling der gijzelaars plaats had. Na een gevangenschap van bijna drie maanden, reed Lodenstein in de avond van de 4de Februari de poorten van Utrecht weer binnen. Nog drie jaar heeft Lodenstein zijn arbeid in Utrecht weer even krachtig voortgezet als vroeger. In het begin van Maart 1677 werd hij ernstig ziek. Zijn broeder Dirk begaf zich direct naar Utrecht en heeft hem trouw verpleegd. Toen Lodenstein eens de omstanders zag wenen, vermaande hij hen, dit niet te doen, zeggende: , , Ik lig als in de rozen. Zo zoet is 't mij, de wil van mijn God te doen." Toen men hem vroeg, of het wat beter met hem was, antwoordde hij: , , 't Is altijd goed, wat de eeuwige Wijsheid doet."

Klagen deed hij niet, integendeel, hij verlangde er naar te mogen sterven. De ziekte werd steeds ernstiger, zodat de dokter zelfs vreesde voor koud vuur. Toen men hem dit vertelde, schrok hij daar niet van, maar zeide, dat het hem goed was zoals God het wilde. Toen hij de volgende dag stervende was, zei hij: „Is dit sterven? Zo sterf ik wel gemakkelijk." 's Nachts om één uur lag hij reeds met gebroken ogen, terwijl de omstanders hem af en toe nog iets hoorden zeggen. Men zag hem steeds minder worden, totdat de omstanders hem duidelijk hoorden zeggen: „Ik ben zeer vol van gedachten." Dit waren zijn laatste woorden.

6 Augustus 1677 des morgens om drie uur ging Jodocus van Lodenstein de eeuwige rust in, juist 57 jaren en 6 maanden oud zijnde, „nalatende", zegt v. d. Hooght, zijn levensbeschrijver, „voor zichzelven een grote naam; voor zijn bloedverwanten veel tijdelijke middelen; voor de wereldse mensen veel krachtige overtuigingen; en voor zijn gunstelingen een diepe indruk zijner deugden."

20 Augustus werd zijn stoffelijk overschot bijgezet in het familie graf in de Oude kerk te Delft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1950

Daniel | 8 Pagina's

Jodocus van Lodenstein

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1950

Daniel | 8 Pagina's