VRAGENBUS
j Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
j Correspondentie voor deze rubriek aan : I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
O. te K. vraagt: In Exodus 15 : 20 staat: En Mirjam de profetes."
Waarom wordt Mirjam een profetes genoemd?
Antwoord: Calvijn zegt: „Doch ofschoon Mozes haar met de erenaam van profetes noemt, bedoelt hij daardoor niet, dat haar het ambt om in het openbaar te onderwijzen was gegeven, maar omdat zij voor anderen de leidsvrouw en leermeesteres was geweest."
Dachsel is van dezelfde mening als hij schrijft: „Een profetes was zij, niet omdat enige ambtelijke waardigheid door haar bekleed werd, maar omdat haar de gave des Heiligen Geestes verleend was, de gave der profetie, niet met voorspelling, maar om door woorden des Geestes en krachtige redenen op anderen te werken.'
O. te R. vraagt: at betekent Openb. 9:6?
Antwoord: n Openb. 9 : 6 lezen wij: En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken en zullen die niet vinden en zij zullen begeren te sterven en de dood zal van hen vlieden."
Antwoord: Als er staat: „In die dagen, dan vragen we: „Welke dagen? " En dan zegt vader Brakel, dat het de dagen van de komende Antichrist zijn. En als hij dan een verklaring geeft van de door U aangehaalde tekst, dan schrijft hij in de Redelijke Godsdienst:
„Deze manier van spreken drukt uit het grote verdriet en de sterke begeerte om verlost te worden. Of velen onder hen weinig werk van godsdienst maken en als woeste mensen leven en sterven, tonder bekommering over hun zielen, zo ligt nochtans in hun leer de grond van radeloze en reddeloze angst en benauwdheid.
En die onder hen bezorgd over hun eeuwige staat zijn, worden deze onverdraaglijke pijnigingen van het geweten aan alle kanten wel gewaar; zij zien en zoeken overal om naar middelen om daarvan bevrijd te zijn, maar zij vinden ze niet, ze blijven verward, beangst en in pijnlijke wanhoop, en zelfs de dood, die alle druk van dit leven eindigt, kan hun geen rust aanbrengen; want daar is geen grond van hoop om zalig te worden."
O. te R. vraagt: Is dat waar, dat de kerkelijke huwelijksinzegening van Heidense oorsprong is ?
Antwoord: Aleer ik tot de beantwoording van de vraag overga, wil ik even een opmerking maken. In Gereformeerde kringen spreekt men in overeenstemming met Dathenus' huwelijksformulier van kerkelijke bevestiging des huwelijks, terwijl men in Hervormde kringen naar het in de Ned. Herv. Kerk vigerende reglement spreekt van kerkelijke inzegening des huwelijks.
Nu kom ik tot de beantwoording van de vraag.
't Is mij helemaal niet bekend, dat kerkelijke huwelijks bevestiging van Heidense oorsprong zou zijn. Wel weet ik, dat in de Chr. Kerk een zekere kerkelijke bevestiging van het huwelijk onder invloed der kerkvaders reeds vroeg in praktijk is geweest .
Ignatius schreef in een brief aan Polycarpus (plm. 150 j. n. Chr.), dat het huwelijk met medeweten van de bisschop zou gesloten worden, opdat het huwelijk niet naar het vlees, maar naar God zou zijn.
Volgens Tertullianus (gest. 233), waren bij de huwelijkssluiting de opzieners der gemeente tegenwoordig; het bruidspaar zat met de ambtsdragers aan de dis des Heeren aan en bracht een dankoffer aan de kerk.
Deze kerkvader schrijft: „Hoe zullen wij het geluk ener echtverbintenis kunnen tekenen, die door de kerk is gesloten, door het Avondmaal bezegeld, door de kerkelijke zegen geheiligd, door de Engelen verkondigd en door de Vader in de hemelen als geldig verklaard.
Hieruit blijkt, dat de kerkelijke bevestiging al vroeg in de Chr. Kerk bekend was en dat die bevestiging niet opkwam uit Heidense navolging, maar uit drang van noodzakelijkheid om de zegen des Heeren in Zijn huis af te smeken over zulk een gewichtvolle verbintenis.
O. te R. vraagt: „Is een huwelijksinzegening (bevestiging is beter. Zie boven) uit de H. Schrift te bewijzen ?
Antwoord: Van een bij de sluiting des huwelijks te verrichten godsdienstige handeling maakt de wet geen gewag.
Echter wettige uitspraken als: Wie de leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars God vergeet" (Spr. 2 : 17) en, „Daarom, dat de Heere een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd" (Mal. 2 : 14) geven het vermoeden, dat deze in de practijk wel niet zal ontbroken hebben.
Trouwens er zijn altijd zaken en handelingen, waarvoor geen rechtstreekse uitspraak te vinden is in Gods Woord, maar die niettemin geschieden moeten overeenkomstig Gods Woord. En dat is toch zeker wel nodig als we in het huwelijk treden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1950
Daniel | 8 Pagina's