Grepen uit de Letterkunde
(21.)
Valerius „Gedenck-clanck" III.
Na de dood van Prins Willem in het jaar 1584 wordt hulp toegezegd voor de benarde Nederlanden uit Engeland. Valerius schrijft:
„In deze droeve tijden heeft God de Heere verwekt de Majesteit van Engeland, die de Heren Staten heeft - vertroost en door expresse Ambassadeurs doen aanbieden haar hulp, met raad en daad, hetwelk de landen ; Pulke blijdschap heeft aangebracht, dat men terstond Ambassadeurs zond naar Engeland om met hare Majesteit in handeling te treden, en u presenteren de opperheerlijkheid der verenigde Provinciën, opdat door de ondergang van zo vele schone bloeiende kerken, die de Heere in deze eeuw had beliefd in de voorzeide landen eijn Zoon Jezus Christus te verzamelen, mochten worden bewaard."
Als uiting van de dankbare stemming volgt dan:
„Bij 't jagtig dorstig hert, dat in de waterbeken Zijn hete dorst verslaat, wel mogen zijn geleken Dc Nederlanders al, die even alzo zoet Nu w r orden 't saam verkwikt door Gods genade goed; Als zijnd' in zijn verbond, en van hem wel gekocht [dier, Die liepen als verdwaald, heeft hij nu zelf gezocht [hier, En bijgestaan in nood, en hare pijn verkort. Gelukkig is hij die van God geholpen wordt."
En dan volgt (getoonzet) het zeer bekende:
„O Heer, die daar des hemels tente spreidt, En wat op aard' is hebt alleen bereid, Het schuimig woedig meer kont maken stille, En alles doet naar uwe lieve wille; Wij slaan het oog Tot u omhoog, Die ons in angst en nood, Verlossen kont Tot aller stond, Ja zelfs ook van de dood.
Als gij (o vrome!) dikwijls, hebt gesmaakt, Vermaakt u nu vrij dat 't uw harte raakt. Looft God de Heer met zingen ende spelen, En roept vrij uit te saam met luider kelen: Had ons de Heer (Hem zij de eer) Alzo niet bijgestaan, Wij waren lang, (Ons was zo bang) Al in de druk vergaan."
(Op de komst der Engelsen 1585.)
't Was jammer, dat de geboden hulp niets voor ons land uitrichtte. De hooggestemde verwachtingen vielen 'wel teleurstellend uit. Toch spreekt uit het bovenstaande lied het vaste Godsvertrouwen van ons volk in tijd van grote nood.
Op de grote successen van Prins Maurits op zijn veldtochten in het jaar 1591 wordt dit bekende lied gemaakt:
Gelukkig is het Land.
Gelukkig is het Land, Dat God de Heer beschermt, Als daar met moord en brand De vijand rondom zwermt. En dat men meent hij zal 't Schier overwinnen al, Dat dan, dat dan, dat dan Hij zelf komt tot de val.
De Hoeder Israëls Die slaapt noch sluimert nooit, Hij helpt uit veel gekwels Zijn volk, 't welk was verstrooid Door 't Spaanse boos gebroed En doet haar nog dit goed, Dat zelf, dat zelf, dat zelf De vijand lopen moet.
Gelijk 't volk in een schip, 't Welk hort en stuit en steekt, Als 't komt op ene klip, Van angst het zweet uitbreekt; Zo staat nu ook confuis 1 ) Maraan-) met zijn gespuis, Die nu, die nu, die nu Met schand moet lopen thuis.
Gedankt moet zijn de Heer, De God die eeuwig leeft! Dat hij ons 't zijner eer Deez' overwinning geeft; Wat wonder heeft de kracht Des Heeren al gewracht-") ? O Heer, o Heer, o Heer! Hoe groot is uwe macht!
Het derde couplet is minder bekend dan de andere, maar niet minder veelzeggend.
INDEX.
!) confuis — confuus, van het Latijn confusus, en het betekent: verlegen, verward, van streek.
2) Maraan = de Spanjaard.
3) gewracht = tot stand gebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1950
Daniel | 8 Pagina's