BIJBELSE ARCHAEOLOGIE
Wetenschap en kunst.
Onder de wetenschappen, die bij Israël werden beoefend, stond de Wetsstudie bovenaan.
Veel eminente leraren, aan wier voeten de leerlingen zich neerzetten, gaven, vooral na de ballingschap, onderwijs.
Wij wijzen hierbij op Luk. 2 : 46; 10 : 39; Hand. 22 : 3.
De vrome Israëliet liet niet na van ouds af op de sabbath zich te houden aan het Goddelijk voorschrift van Deut. 6 : 7, 20; 11 : 19.
Later ontwikkelde zich naast de Wet de zgn. traditie, zodat de zuivere Wet bedolven werd onder allerlei menselijke toevoegsels en het alles verliep in allerlei spitsvondigheden.
De Heere heeft tijdens Zijn omwandeling op aarde over deze bijmengselen getoornd en de Wet weer in haar zuiverheid voorgesteld.
Van oude tijden af had men bij de Joden ook de zgn. Kabbala (= overlevering). Het was een geheimleer.
Kabbalisten waren lui, die in Gods Woord allerlei mystieke formules en getallen trachtten te vinden om daarmee toverijen en bezweringen te plegen (v.b. Bar-Jezus.)
Veel scholen ontstonden, die onderling een hevige strijd voerden. Zo die van Hillel en Schammai. Naast de studie der Wet moet genoemd worden de beoefening der „wijsheid" (Chokma), die het leven, belicht door de Godsopenbaring, tot haar object heeft.
Zo in de wijsheidsboeken Job, Spreuken, Prediker.
„De echte ware wijsheid" zegt zeker schrijver, „is geen vrucht van 's mensen verstand, maar wortelt in de vreze des Heeren; zich richtend naar 's Heeren Wet en zich openbarend in een zedelijk leven. Spr. 1 : 7.
Met de Wetsstudie waren uiteraard rechts-en historiestudie verbonden.
De eerste schijnt bijzonder het werk der wetgeleerden geweest te zijn. De laatste betrok zich op de historische stof der profetische boeken en was dus in feite studie van de historische stof der bijzondere Godsopenbaring.
In de na-exilische tijd begon men geschiedenis te schrijven om haar zelfs wil. Deze behoorde dus niet tot de bijzondere openbaring en wijl oncritisch geschreven, vaak een mengsel van waarheid en verdichting. Men denke bv. aan de bekende Makkabeën-boeken en die van Josefus. Ook de natuurstudie ontbrak niet: planten, dieren, sterren.
Men lette er op, dat de H.S. in dezen vooral wijst op de algemene openbaringen Gods, wel ongenoegzaam tot zaligheid, maar openbarende Zijn almacht, wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid. Ps. 8. e. a. p.
Zo sprak Salomo van allerlei dieren en planten. 1 Kon. 4 : 33.
Het buurland Babylonië was reeds van oude tijden bekend door zijn astronomie, meestal ontaardend in astrologie. Misschien is het beter te zeggen: het doel was astrologie (sterrenwichelarij, sterrenkijkerij), waardoor ook veel astronomische kennis vergaard werd.
In Gods Wet was die astrologie streng verboden; helaas, ook Israëls bondsvolk maakte zich er aan schuldig. De H.S. noemt ons enkele sterrenbeelden in Job 9 : 9; 38 : 31; Am. 5 : 8.
De wetten van Mozes wijzen op de noodzakelijkheid van de studie der geneeskunde. Lev. 13.
Zij was bijzonder het werk der priesters. Op deze studie zal zeer zeker invloed uitgeoefend hebben het verblijf in Egypte, waar deze tak van wetenschap op hoog peil stond en waartoe aldaar bijzonder behoorde het bereiden van zalven en het balsemen van lijken.
Speciaal waren de priesters van Israël aangewezen tot het onderkennen van de gevreesde melaatsheid.
Volgens de Joden was deze ziekte ongeneeslijk, een straf op een bepaalde zonde. Zij spraken wel van elf zonden, die melaatsheid ten gevolge konden hebben.
Men onderscheidde drie vormen: de zwarte, de w r itte (zoals bij Gehazi) en de knobbelmelaatsheid. (Job.) Het begon bij de uiterste lichaamsdelen (vinger-en teentoppen.)
Een melaatse was waarlijk een vervloekte, een uitgestotene. De omgang met andere mensen was verboden. Hij mocht niet naderen dan tot op minstens twee meter afstand. De stad mocht hij met binnentreden. Op de weg lopend, moest hij zijn mond met een doek bedekken, opdat zelfs zijn adem niet ingeademd zou worden.
Voorts moesten ze de tegemoet komenden onrein! onrein! toeroepen.
Medelijden met deze beklagenswaardigen kenden de Joden niet.
Wij weten het: alleen de Heere ontfermde zich tijdens Zijn omwandeling op aarde, ook over deze ongelukkigen. Nochtans met handhaving van de regelen dienaangaande in de wet van Mozes gegeven.
Wel is de melaatsheid een beeld van de geestelijke dood des mensen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1950
Daniel | 12 Pagina's