KERKGESCHIEDENIS
De geestelijkheid.
Opleiding. De opleiding had plaats op verschillende wijzen. In het Oosten verrezen theologische scholen (seminaria) te Alexandrië, Cesarea, Antiochië, Edessa en Nisibis, die echter in de 5e en 6e eeuw weer verdwenen.
Ir. het Westen zond men de jongelui eerst naar de heidense geïeerdenscholen te Athene, Nicomedië enz. Na afloop gingen zij een tijdlang in afzondering leven (anachoreten) en hielden zich met theologische studiën bezig.
Ook kwam de jongeman wel onder leiding van een bisschop, die hem geheel opleidde. Nog later, na de, verdwijning van de heidense scholen, kwam de kloosteropleiding.
Verkiezing. Niet ieder was verkiesbaar tot het ambt van geestelijke; bv. nieuwelingen, op het ziekbed gedoopten, voor de tweede maal gehuwden, enz.
De leeftijdsgrens was voor de presbyters 30, voor de lagere ambten 25 jaar.
De lagere geestelijken werden, met goedkeuring van de gemeente, gekozen door de bisschop. Deze laatste werd gekozen door geestelijkheid en volk.
De verkiezing der hoofdstedelijke bisschoppen moest echter bevestigd worden door de keizer, wat natuurlijk uitliep op het recht van aanstelling en afzetting.
Uiteraard waren er landbisschoppen en stadsbisschoppen. Maar aan eerstgenoemden werden allengs de bisschopsrechten en zelfs de bisschopsnaam ontnomen.
De metropolieten (d.z. de bisschoppen der hoofdsteden) kregen meer aanzien: zij beinvloedden de bisschoppenkeuze, wijdden deze, hadden over hen een soort jurisdictie en zaten voor in de prov. synoden.
In de 4e eeuw ontstond het hogere ambt van patriarch. Reeds een eeuw te voren hadden de metropolieten van de zgn. apostolische zetels voorrang.
Te Nicea (325) kregen die van Rome, Alexandrië en Antiochië nog hoger macht en kwam de titel van patriarch in gebruik. Later waren er vijf, omdat ook de bisschoppen van Constantinopel en Jeruzalem die titel ontvingen.
Wilde men een concilie houden, dan moesten deze vijf heren, of hun plaatsvervangers, aanwezig zijn.
Wij zien hier duidelijk de voortgaande ontwikkeling van de hierarchie.
En toen welhaast de bisschop van Constantinopel als hoofd der Oosterse kerk optrad, moest dit aanleiding geven tot concurrentie met Rome, een strijd tussen, het Oosten en Westen en tenslotte de scheuring.
Wüding. De wijding geschiedde door handoplegging, w r aarbij later de zalving met olie kwam.
Die wijding had — men lette daarop — een onverwoestbaar karakter.
Tonsuur en coelibaat. Niet alleen bestond onder de geestelijken een rangverhouding, maar ook kwam er tussen leken en geestelijken een scheiding, zich uiterlijk openbarend in tonsuur en coelibaat.
De tonsura, d.i. de kruinschering, kwam aanvankelijk slechts voor bij boetenden, later ook bij de monniken en was een teken van ootmoed.
Men onderscheidde de griekse tonsuur (tonsura Pauli), waarbij het voorste deel van de kruin werd kaal geschoren; en de romeinse tonsuur (tonsura Petri), waarbij het midden gedeelte werd weggeschoren en er dus een krans (kroon) van haar bleef staan.
Sinds de 5e eeuw moest ook de tot het ambt gewijde de tonsuur dragen.
Nog later onderscheidde men de kleine tonsura voor de lagere ambten en die telkens groter werd bij bevordering, wijding, tot een hoger ambt.
Voorts mocht in de oude kerk de baard niet afgeschoren worden. In de oosterse kerk bleef dat tot op heden. Maar in de westerse kerk werd het afscheren gewoonte en zelfs door pausen en synoden voorgeschreven.
Het coelibaat, dc echteloosheid, had tot gevolg, dat de geestelijkheid losgemaakt werd van de wereld.
In 306 werd op de prov. synode van Elvira in Spanje vastgesteld, dat bisschoppen, priesters en diakenen ongehuwd moesten zijn.
Op het niceaanse concilie van 325 zou deze bepaling algemene geldigheid gekregen hebben, als niet de egyptische bisschop Paphnutius, confessor, zelf ongehuwd en streng asceet, zich daartegen met alle kracht had verzet. De oosterse kerk hield vast aan de heiligheid van de echt. Justinianus I sloot echter gehuwde presbyters uit van een bisschopzetel.
Op het tweede trullaans concilie (692) werd ten slotte bepaald, dat de bisschoppen ongehuwd moesten zijn; de presbyters en diakenen mochten gehuwd wezen, mits dit huwelijk was gesloten vóór de wijding. Een tweede huwelijk was verboden.
In de westerse kerk handhaafde Siricxus, bisschop van Rome, het besluit van Elvira (385.) Leo de Grote stelde de ongehuwde staat ook verplichtend voor het subel iakonaat.
In de ierse kerk mocht de clerus gehuwd zijn.
Trouwens deze kerk had meer „afwijkingen" van Rome. Zij is van veel betekenis geworden ook voor onze lage landen.
Ambten. Men onderscheidde en hogere en lagere geestelijkheid. Eerstgenoemde vormde de clerus: bisschoppen, presbyters en diakenen.
Hierbij kwamen later: de archidiakonus, het hoofd der diakenen, tevens substituut-bisschop in dc diocese.
Vervolgens: de archipresbyter, hoofd der pi-esbyters, tevens hulp van de bisschop bij de eredienst.
Eindelijk: de periodeuten, visitatoren, belast met het toezicht op de kerken van het platteland.
Bij de lagere geestelijkheid werden ingeschakeld: parabolanen (kerkelijke ziekenverplegers) en doodgravers; vooi'ts kerkelijke advocaten, notarissen, ax'chivarissen en bibliothecarissen. Zij hadden natuurlijk geen kerkelijke wijding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1950
Daniel | 12 Pagina's