Leer en Leven
(14.)
I. Het Woord Gods. (m)
- Zo hebben we de vorige maal gezien, dat de heilige Bijbelschrijvers door de Heilige Geest werden aangedreven tot hun gewichtvolle taak. Nu eens door een opzettelijk, rechtstreeks bevel, dan weer door een aanleiding van buitenaf, maar toch steeds door de bijzondere leiding en besturing des Heeren. Zo togen ze dus aan het werk, maar daarbij hadden ze niet minder nodig: de verlichting des Geestes. Deze verlichting is de inwerking van Gods Geest op het verstand en het gemoed van de heilige mannen Gods, waardoor hun die gedachten en zaken te binnen gebracht werden, die zij moesten uitspreken en neerschrijven. Nu eens waren die gedachten, die zaken, hun reeds van vroeger bekend en lag'en ze als het ware in hun onderbewustzijn en dan behoefden die gedachten, die zaken, hun alleen door de Heilige Geest opnieuw indachtig gemaakt te worden, zodat de verlichting verhelderend inwerkte op het geheugen, door herinneringen aan vroegere gebeurtenissen weer helder voor de geest te halen. Dan weer waren die gedachten, die zaken hun nog vreemd en dan werden ze hun door de Heilige Geest voor 't eerst geopenbaard. Als Mozes ons in zijn eerste boek, genaamd Genesis, verhaalt van de schepping der wereld, dan is het ieder duidelijk, dat we hier te doen hebben met een opzettelijke openbaring Gods, want hier betreft het dingen, die alleen aan God bekend waren. Had Godzelf de sluier niet opgelicht, niemand zou ooit iets van dit wondere gebeuren geweten hebben. En wie zou zich een voorstelling hebben kunnen maken van de hemel der heerlijkheid, als de Heere er ons Zelf niet iets van had meegedeeld in Zijn eeuwigblijvend Getuigenis? En toch zijn al onze voorstellingen maar heel gebrekkig en mensvormig. Hoe het er precies zijn zal weten we eigenlijk niet eens!
Doch aan de andere zijde heeft de Heere in Zijn nedcrbuigende goedheid in Zijn Woord er wel zoveel van neer laten schrijven, dat we met Jesaja en Paulus moeten uitroepen in verwondering: een oog heeft het gezien; geen oor heeft het gehoord; in geen hart des mensen is het opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben! (Jes. 64 : 4 en 1 Cor. 2:9). Een heerlijke toekomst staat Gods volk te wachten, naar luid van Gods Woord, gesproken en beschreven door Zijn knechten, de Profeten. Een verschrikkelijke verwachting echter voor al degenen, die God niet kennen. Luister maar naar het Woord des Heeren, gesproken door de mond van Daniël: En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op diezelve tijd toe; en tc dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Dc leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk." „Daniël 32 : 1 t.m, 3.)
Voor het neerschrijven van zulke toekomstvoorspellingen waren rechtstreekse mededelingen van God nodig en die kregen de Bijbelschrijvers dan ook inderdaad!
In sommige gevallen werkte de verlichting ook m i d d e 11 ij k, bijv. door ondervraging van ooggetuigen, Lukas, de Evangelist, zegt het ons zelf, als hij ons meedeelt, dat hij alles van te voren „naarstig onderzocht" had, voordat hij ging schrijven. (Lukas 1:3). En dat de Bijbelschrijvers ook gebruik gemaakt hebben van andere studiebronnen, van boeken, die er nu niet meer zijn, staat vast. Bij herhaling spreekt de Heilige Schrift van boeken, die door de Bijbelschrijvers als belangrijk studiemateriaal gebruikt werden, doch die helaas verloren zijn geraakt. Om enige voorbeelden te noemen:
1. Het Boek van de Oorlogen des Heeren (Num. 21 : 14)
2. Het Boek des Oprechten. (Jozua 10 : 13; 2 Sam. 1 : 18.)
En zo zijn er nog wel 16 boeken te noemen. (Wie er belang in stelt kan ze vinden in: T. M. Looman. Gids voor de Bijbellezer. Derde Afd. Hfst. XIII, onder de titel: Verloren geraakte oorkonden.)
Gods knechten van de oude dag, maar ook Gods knechten van de nieuwe dag werden door Gods Geest verlicht bij het onderzoeken van reeds eerder beschreven Schriftgedeelten. Vooral Mozes' geschriften waren voor het Joodse volk studiebronnen bij uitnemendheid. Wat te begrijpen is, gezien het feit, dat de gehele eredienst door Mozes voor het volk Israël beschreven was. Deze Oud-Testamentische Geschriften gevoegd bij de Profeten en andere boeken werden het voorwerp van onderzoek van de latere Farizeeën. Zij waren echter blind voor het heil, dat God in Zijn Zoon als de vervulling der Wet, kwam te openbaren.
Paulus daarentegen, hoewel aan de voeten van Gamaliël onderwezen, kreeg door Gods Geest verlichte ogen des verstands, zodat hij door het geloof zien mocht, dat Christus het Einde der Wet was voor een iegelijk, die gelooft. (Rom. 10 : 4.)
Door zijn naarstig onderzoeken van de Oud-Testamentische Geschriften en door Schrift met Schrift te vergelijken kreeg hij een dieper inzicht in de ceremoniële en profetische betekenis van de schaduwachtige bedeling en wij worden nü nog door hem onderwezen, als we luisteren naar hetgeen hij neerschreef in zijn brieven.
Op deze wijze werkte Gods Geest verlichtend in het hart van Paulus en zien we ook hier wederom de leidende hand des Heeren. Was het voor Mozes van grote betekenis onderwezen te zijn in al de wijsheid der Egyptenaren, ook de studie van Paulus was niet te veronachtzamen. Deze door studie verzamelde wetenschap paarde zich hier aan de verlichting des Heiligen Geestes en zo werd de - inspiratie een onfeilbare weergave van Gods Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1950
Daniel | 10 Pagina's