Bijbelse Archeologie
I Gewichten
I Gewichten 1 gera (grein of korrel) 1 beka (gewone of halve sikkel) 1 heilige sikkel 1 mine (pond) = 50 sikkel 1 talent = 60 pond 0.0007 kg 0.007 „ 0.014 „ 0.72 42
H Munten - -
' a. Koper
1 lepton (klein penningske) cent 1 quadrans (oort) Y2 » 1 as (ook wel penningske) ZV2 .. 1
b. Zilver
1 gera cent 8y2 1 denarius (drachme, penning) „ 42y2 1 bekah (halve of gewone sikkel, zilverling didrachme) 85 „ 1 heilige sikkel (koninklijke sikkel, stater) ƒ 1.70 1 mine (pond) = 50 sikkel 1 talent = 60 pond 85.— 5100.—
c. Goud
1 gouden drachme 1 gouden gewone of halve sikkel 1 gouden heilige sikkel (stater) 1 gouden talent ƒ 6.375 ƒ 12.75 ƒ 25.50 ƒ 76500.—
ni Maten
a. Lengte-en afstandsmaten
1 vingerbreedte 1 handbreedte (palm) 1 span 1 el 1 vadem (4 el) 1 meetriet (bel) 1 stadie = 125 schreden 1 mijl = 1000 schreden 1 dagreis 1 sabbatsreis 0.02 m 0.08 „ 0.24 „ 0.48 „ 1.92 „ 2.88 „ 2 y2 min. gaans 20 min. gaans 7 a 8 uur gaans 15 min. gaans
b. Vlaktematen
1 juk of bunder = plm. 30 a; d.i. een stuk land, zo groot als een juk of twee samengebonden runderen in een dag konden omploegen.
c. Inhoudsmaten voor natte waren
1 log 0.23 1 1 hin (12 log) 2.76 „ 1 bath (6 hin) 16.5 „ 1 kor (10 bath) 165
d. Inhoudsmaten voor droge waren
1 kab (maatje) 0.9 1 1 gomer 1.65 „ 1 seah (maat) 5.4 „ 1 efa (bath = 10 gomer) 16.5 „ 1 letech (5 efa) 82.5 „ 1 homer (10 efa) 165
Men bedenke wel dat de gegeven waarden bij onderscheiden schrijvers verschillen. Dit wijst op onzekerheid.
Wielemaker vermeldt in zijn B.O. blz. 103, dat te Je-
ruzalem een weegsteen gevonden is met het opschrift:3000 sikkelen van koning David. De steen heeft een gewicht van 42.12 kg. Het is dus een talent. Zie boven.
In het N.T. komt nog voor de metreet; volgens de een 39 1, volgens de ander 32 1.
Tijdsindeling
Rekenen wij bij onze tijdsindeling met de zon, bij de Israëlieten werd mede veel met de maan gerekend.
Ook zij gebruikten de begrippen uur, dag, nacht, maand, jaar.
De nieuwe dag begon 's avonds met het invallen der duisternis.
De nacht, die nu volgde, werd aanvankelijk verdeeld in twee delen of drie nachtwaken, later in vier delen: avond, middernacht, hanengekraai, morgenstond.
Tot 12 uur was het morgen, van 12 uur tot de duisternis heette het middag.
Na de ballingschap verdeelde men de dag in 12 uren, aangeduid door een rangtelwoord: de 3e ure, enz., te beginnen 's morgens om 6 uur.
De week telde 7 dagen; de laatste was de rustdag (de Sabbath). Vier weken vormen een maand en correspondeerden met de 4 phasen der maan. Deze maanden telden beurtelings 29 en 30 dagen, alzo gemiddeld 29 dag. Twaalf maanden vormden een jaar. Ieder zal begrijpen, dat zulk een jaar een maanjaar is en 354 dagen telde..
Edoch, een zonnejaar telt ruim 365 dagen, zodat men 11 dagen te kort kwam. Dit werd vereffend door om de twee, gewoonlijk om de drie jaren een dertiende maand (de Ve-Adar) toe te voegen.
Ook de maanden duidde men aanvankelijk aan met een rangtelwoord. Later kregen zij eigen namen.
Vóór de ballingschap leest men de oud-Hebr. namen Abib of aren-maand, Zif of bloemenmaand, Ethanim of maand der sterke stromen, Bul of regenmaand. Tijdens de ballingschap kwamen de latere Babylonisch-Syrische namen. Nisan = Abib.
Het kerkelijk jaar rekende men van voorjaar (ong. half Maart) tot voorjaar; het landbouwjaar uiteraard van herfst tot herfst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1950
Daniel | 12 Pagina's