JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

(18.)

Echt en onecht.

Deze rubriek wil getrouw zijn aan de naam en geeft slechts „grepen", zo hier en daar een stukje, uit de overvloedige schat der Nederlandse literatuur. Zodoende komt enig begrip omtrent het wezen der letterkunde; gaan we een weinig belang stellen in hetgeen taalkunstenaars hebben geschreven, voelen we, al naar ons taalgevoel, hoe schoon de Nederlandse taal kan zijn. Komt daarbij nog een geestesgesteldheid, zoals we o.m. bij Van Lodensteijn aantroffen, dan kan het effect van zegging geweldig zijn. Dan komen we aan de grens van de volmaakte uitdrukking, die echter door geen sterve-

ling kan worden bereikt. We spreken dan van „onsterfelijke verzen."

Nu is het op het gebied van de kunst zó, dat iets mooi of minder mooi wordt genoemd, naar gelang de critici een bepaald stuk prijzen of laken. Het eigenaardige geval doet zich veel voor, dat de ene kunstenaar een kunstwerk matig vindt en dat een andere kunstenaar hetzelfde werk boven alle roem verheven acht. We voelen wel aan, dat hierin veel eigenbelang steekt. Ook de verschillende aanleg van kunstenaars en van critici spreekt wel een woordje mee.

Laat ik een eenvoudig voorbeeld noemen. Er wordt op een orgel een stuk van Bach gespeeld. De kenners van muziek en van Bach in 't bizonder zullen verrukt luisteren naar de schone vindingen van die grote Duitse geest op muziekgebied. Maar zij, die nooit anders hebben gehoord dan eenvoudige schoolversjes en psalmen die in de kerk worden gezongen, die zullen meer vinden aan het spelen van een eenvoudig lied of een bekende psalm. Als „Bach" wordt gespeeld, dan horen ze wellicht een groot rumoer, maar ze kunnen toch niet precies zeggen wat het is, evenals de boodschapper Ahimaaz bij David.

Op het gebied van de schilderkunst zou hierover veel te zeggen zijn; bij de bouwkunst zouden we hetzelfde kunnen opmerken. We kunnen niet zo gauw zeggen, dat het helemaal niets is; we dienen ons eerst af te vragen: wat bedoelt de schilder, wat heeft de bouwmeester uit willen beelden, wat heeft de dichter bewogen om zich op deze manier te uiten.

Neem verder als eenvoudig geval de psalmwijzen. Ik ken mensen die psalm 51 of 69 niet mooi vinden en die psalm niet graag zingen. (Versta hier goed: niet wat de wóórden betreft, maar de melodie). Ze voelen het karakter van die kerktoonsoort niet aan: het phrygische toongeslacht, gebaseerd op de grondtoon mi. Evenzo wordt door velen de prachtmelodie van psalm 65 niet aangevoeld: het aeolisch karakter. Bij nadere bestudering van de muziekleer krijgen die melodieën meer waarde. Ook op het gebied van kunst geldt het gezegde „onbekend maakt onbemind."

Om nu op het letterkundig terrein te komen, het volgende:

David zegt in psalm 19 : „De hemelen vertellen Gods eer", en in de 8ste psalm: „Als ik Uwen hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt." Dat de ganse Schepping tot ons spreekt, zullen we wel eens ondervonden hebben. Als ik nu rijm:

i „Als ik in de klare nacht zie de wonderlijke pracht van het sterrenheir, zeg ik: God, Die alles schiep, in een wenk tot aanzijn riep, deed dit tot Zijn eer, "

dan is hierin niet de minste ontroering te bespeuren; dan kan ik, al rijmend, nog wel bladzijden zo voort gaan. Ik maak dan dat rijmwerk met mijn verstand: de ziel is onbewogen.

Nu laat ik iets anders volgen, 't Is van Fred van Eeden, wiens ideeën en „geloof" we helemaal niet overnemen, maar die in woorden kon uitdrukken wat hij gevoelde. In dit opzicht was hij waarlijk dichter. Zie hem in gedachten staan, de ogen naar boven geheven, de ontelbare sterren gadeslaan. Hij wordt er stil van. Onbegrijpelijk wonder van Gods Schepping. Daar gaat zijn mond open en met horten en stoten, zuchtend zegt hij:

„Ster-licht Gewelf! — Uitspansel eindeloos! Wereld van Liefde! —• Ruimten zonder naam; Hoe kan dit wonen in zó klein lichaam, In een eng huis, zó wankelend en broos? "

Merken we wel, dat hier ontroering uit spreekt? Hij kan het niet verwerkt krijgen: één gewelf van sterren in het eindeloze uitspansel, de wereld overkoepelend in onbenoemde ruimte (de uitgestrektheden op aarde hebben namen, maar de veel-grotere hemelruimten zijn naamloos)! Hoe is het mogelijk, dat een nietig mens, in een tenger lichaam, dat elk ogenblik tot stof kan worden, die millioenen sterren kan aanschouwen? Dat blijft een open vraag. Dat is juist het wonder van de werken Gods. „Er is geen doorgronden van Zijn verstand." „De Heere is groot, en wij begrijpen Hem niet."

Hebben we nu enig idee van het verschil tussen rijmen met het verstand en dichten door ontroering? Dit laatste gebeurt niet zo vaak, maar wanneer het plaats heeft, dan komt er een kunststuk (je) in taal.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1950

Daniel | 12 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1950

Daniel | 12 Pagina's