JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Aristoteles (384-322 voor Chr.)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Aristoteles (384-322 voor Chr.)

6 minuten leestijd

dl.)

We hebben gezien hoe Aristoteles kwam tot de erkenning van een godheid. Voor het bestaan van deze godheid voert hij een aantal bewijzen aan:

1. er is een orde en doelmatigheid in hetgeen we om ons waarnemen, welke niet te verklaren zouden zijn zonder het aannemen van een goddelijk wezen;

2. in de dingen die we om ons heen waarnemen is een opstijgende reeks waar te nemen van het lagere tot het hogere; als eindpunt van deze opklimmende reeks moeten we ons wel een volmaakt wezen denken: de godheid;

3. alle beweging (verandering) moet een oorzaak hebben; als we de reeks van oorzaken volgen, moeten we komen tot een eerste oorzaak van alle beweging, de zelf-onbewogen godheid. .

Alvast vooruitlopende op de grote invloed die Aristoteles gehad heeft, wijzen we er op dat z\jn bewijzen voor de godheid terug te vinden zijn in de latere zgn. bewijzen voor het godsbestaan, zoals deze bijv. door Thomas van Acquino zijn uitgewerkt. (Zie voor deze „bewijzen" nr 25 van de 3e jaargang, artikel: Atheïsme).

Met nadruk wijzen we er nog op, dat de godsidee van Aristoteles pantheïstisch getint is. Er is geen scherpe scheiding tussen godheid en wereld. De wereld is, evenals de mens, zonder begiü in de tijd, dus eeuwig.

Volgens Aristoteles is hét organisch leven in de natuur, dat is het leven van plant, dier en mens, afhankelijk van de ziel. De ziel is er de beweger van. Hij maakt dan onderscheid tussen de vegetatieve ziel, die we in het plantenrijk vinden en die de functies van voeding en voortplanting regelt. Voorts de animale ziel, die we in het dierenrijk aantreffen en waaraan A. het waarnemen en begeren toeschrijft. Tenslotte de denkziel of noes, die de beide andere in zich sluit en alleen aan de mens eigen is. Deze ziel is volgens A. onsterfelijk. Maar laten we niet denken, dat A. een persoonlijke onsterfelijkheid met daaraan verbonden een persoonlijke verantwoordelijkheid leert. Die „noes" is iets dat alle individuën tesamen hebben, dus een soort van „wereldrede, "

Een leven overeenkomstig die rede waarborgt volgens Aristoteles de hoogste gelukzaligheid. Dat is de kern van zijn ethiek. Dit herinnert ons aan Socrates, die leerde dat recht inzicht tot de deugd zou leiden. A. gaat even verder en zegt dat het ook afhangt van zelfbeheersing en van het evenwicht der begeerten. De gids die ons tot deze voortreffelijkheid leidt is de weg van het „gulden midden." De deugden verdeelt hij in groepen van drie, waarvan de eerste en laatste driftachtige uitersten zijn, maar de middelste is een deugd of voortreffelijkheid. Een voorbeeld: moed ligt tussen lafheid en overmoed; vrijgevigheid tussen gierigheid en spil-

zucht enz. Grote nadruk legt Aristoteles op een goede opvoeding, die volgens hem echter allereerst Staatszaak is.

Als Aristoteles over de politiek gaat schrijven treft ons zijn minachting voor handenarbeid; die is voor de slaven en onder deze slaven rangschikt hij ook — kooplieden en bankiers. Zij alle zijn ongeschikt om te regeren. In de beste staatsvorm kan slechts hij een regeerambt bekleden, die zich uit zijn zaken heeft teruggetrokken. De handel is tegennatuurlijk en de ergerlijkste vorm is die, waarbij geld geld moet voortbrengen, dat is: woeker. Weer zien we de grote invloed van Aristoteles in de Middeleeuwen toen er een (kerkelijk) verbod was om rente te vragen van geleend geld.

De staat moet volgens A. het huwelijk regelen en ook acht geven op te grote stijging van het bevolkingsaantal. Als afweermiddel propageert hij afdrijving van de nog ongeboren vrucht. Worden we hier niet herinnerd aan wat wij lezen in Rom. 1 vers 18 e.v.v. ?

Geweldig is de invloed van Aristoteles geweest, vooral in de Middeleeuwen, toen door de politieke gebeurtenissen zijn werken weer in hun oorspronkelijke vorm bekend werden. Hij wordt daarom genoemd P E filosoof van de Middeleeuwen. Jhomas van Acquinó gaf aail de filosofie van Aristoteles een Christelijke inhoud en door hem werkt de invloed van A-nog door in de Roomse Kerk tot op deze tijd toe.

Maar ook bij het Protestantisme zgn de invloeden van Aristoteles aanwijsbaar. Sterk sprekend is in dit verband het feit dat aan de Groninger Academie die in "1614 werd geopend, geen andere filosofie mocht geëxamineerd worden dan die van Aristoteles. Zijn werken waren al in oude tijden vertaald in het Syrisch, Arabisch, Hebreeuws en later in het Latijn.

„Geen denker heeft zo lang over de menselijke geest geheerst."

Aristoteles is tenslotte slachtoffer geworden van de politieke gebeurtenissen. We vermeldden reeds dat de bevolkingen van de onderworpen Griekse steden de wereldveroveraar Alexander vijandig gezind waren. In het vijandige Athene was Aristoteles een openlijke bewonderaar van Alexander de Grote. Demosthenes, Griekenlands grootste redenaar, zwiepte de volksmassa tegen Aristoteles op en toen Alexander voor de filosoof een standbeeld had laten plaatsen in Athene, riep het verbitterde volk steeds meer om Aristoteles' verbanning of dood.

Plotseling stierf Alexander de Grote, in het jaar 323 v. Chr. De rollen in Athene keerden. Aristoteles werd aangeklaagd en hij was zo verstandig om de stad te verlaten, „opdat de stad Athene zich niet ten tweede male aan de filosofie zou bezondigen." (Hij doelde hier op de gewelddadige dood van Socrates.)

Weinige maanden na zijn vertrek uit Athene stierf de grote denker, vereenzaamd, volgens sommigen door het drinken van de gifbeker, dus door zelfmoord.

In het zelfde jaar, 323, stierf ook Aristoteles' grootste tegenstander, de redenaar Demosthenes.

Binnen 12 maanden tijds had Griekenland zijn grootste vorst, zijn grootste wijsgeer en zijn grootste redenaar verloren.

Zij waren geen groten, wier gedachtenis tot zegening is geweest.

Socrates, Plato, Aristoteles. Mannen van groot formaat. Het zou dwaas zijn, dat te ontkennen. En niet te erkennen hoe geweldig groot hun invloed op het menselijk denken van alle volgende eeuwen geweest is, dat zou slechts struisvogelpolitiek zijn.

Maar, zij hebben God niet gekend, al hebben ze over een godheid gesproken. En daarom geldt ook van hen dit oordeel van Gods Woord: Deze waren niet om Mijn Naam te vermelden.

Over schepping, zonde en gericht, genade en verlossing hebben ze niet gerept. Deze dingen worden alleen geleerd door de vreze des Heeren, die daarom genoemd wordt het beginsel der wijsheid.

De wijsheid der wereld is dwaasheid bij God. Ook Stelt zij ons teleur als we tot haar komen met de raadselen van ons leven. Moge ons dat uit de beschouwing van deze drie grote Griekse denkers te meer duidelijk geworden zijn.

En mocht het ons gegeven worden de ware wijsheid te bekomen van Hem die getuigen kon: „Meer dan Salomo is hier" en Die leert als machthebbende.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1950

Daniel | 12 Pagina's

Aristoteles (384-322 voor Chr.)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1950

Daniel | 12 Pagina's