JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

5 minuten leestijd

Inmiddels werd ook hier te lande het bekende edict van Worms door Karei V afgekondigd. Ja, hij voegde er bij het bevel de Lutheranen voor de gewone rechtbank te brengen.

Zo deed dan de wereldlijke inquisitie haar intrede in onze landen. Aan het hoofd er van werd geplaatst Mr Frangois van der Hulst, bekend uit de zaak tegen de Antwerpse Augustijnen.

Hij is maar twee jaar inquisiteur geweest. De gewestelijke en plaatselijke besturen beschouwden zijn optreden als schending hunner privilegiën; de landsregering was ook tegen hem: Karei V vond, dat de paus (Adriaan VI) zich te veel met zijn zaken bemoeide; de geestelijken vonden, dat de wereldlijke macht zich teveel in hun zaken mengde.

In 1524 kwamen in plaats van Mr Frangois drie pauselijke inquisiteurs, allen geestelijken.

Weer liep het op onenigheid uit. De bisschoppen meenden, dat de onderdrukking van de ketterij in hun resp. diocesen hun zaak was.

Ook Karei was het niet eens met de regeling. Reeds in 1522 had hij gaarne de oprichting van een aantal nieuwe bisdommen in de Nederlanden gezien. Dat gaf hem voordelen: le. beter toezicht op de ketterij; 2e. beheersing van deze mindere goden door invloed op de benoemingen.

Maar paus Clemens VII zette door en omschreef nauwkeurig de verhouding der pauselijke inquisiteurs tot de bisschoppen.

De opbrengst van de geconfisceerde goederen der ketters zou ten faveure van de schatkist des keizers zijn.

Dat de ketters bij al deze ruzies zijde sponnen, is te begrijpen. Hun aantal vermeerderde staag; gevangenen wisten te ontsnappen of kwamen met lichte straffen vrij.

Zo kon het niet blijven, meende de regering.

Wij krijgen nu in de Nederlanden onze eerste martelaren; geloofshelden, die, niet in overspanning, maar in 't volle geloof juichend ten dood schrijden.

Op 1 Juli 1523 worden Hendrik Vos en Joh. v. Esschen, twee Augustijner monniken uit het bekende klooster te Antwerpen op de historische Grote Markt van Brussel verbrand. Met het martelaarslied „Te Deum Laudamus", (U loven wij, o God) gaan zij de eeuwige rust in.

Luther haast zich hen te gedenken in een prachtig lied en een troostbrief te schrijven „allen lieben Brudern in Christo, so in Holland, Brabant und Flandern sind!" Hij noemt beide martelaren „twee edele kleinoden van Christus."

In N. Nederland zijn de Utrechtse kuiper Willem Dirks en Jan de Bakker de eersten die de heldendood sterven. Laatstgenoemde, ook de edele, „Weyntjen Claes van Monnikendam", werd te 's Gravenhage verbrand.

Het bleef er niet bij. Vooral op de leiders en leraars was het gemunt, wat gemakkelijk te begrijpen valt.

Verder werd een ware veldtocht gehouden tegen de in omloop zijnde ketterse boeken.

Onze regering was zeer tevreden over de gang van zaken; plm. 1530 meende zij de zaak onder de knie te hebben.

En toch was het niet zo. Prof. Blok merkt op: de leraars en leiders waren wel gevallen of verdwenen, maar de Hervormingsgeest zelf konden de strenge geloofsrechters niet uitdelgen.

Van 1521 tot 1555 heeft Karei een 12-tal plakkaten tegen de ketters uitgevaardigd. Vooral dat van 1550 was berucht: Indien zij geen berouw toonden, zouden de mannen met het zwaard gedood, de vrouwen „gedolven" worden. En anders „metten vyere" gestraft.

In 1546 was er een „index" d.i. een lijst van verboden boeken verschenen, die nog telkens gesuppleerd werd.

't Gaf alles niets. Het land werd overstroomd van ketterse lectuur, mede van de zijde der uitgewekenen. Voeg er bij: er werd lustig gesaboteerd.

Een paar voorbeelden. In Brabant kon de inquisitie niet werken: 't was tegen de privilegiën zei de regering: niemand kan voor een vreemde rechter gedaagd worden.

In Holland legden de plaatselijke en gewestelijke instanties allerlei moeilijkheden in de weg.

Onder de stichtelijke lectuur staat uiteraard de H. Schrift op het eerste plan.

Van 1522 af kwamen eerst Nederlandse vertalingen van Bijbelboeken, vervolgens van de hele Bijbel.

Wij noemen er hier een paar:

1. De Liesveldtse Bijbel. Jacob van Liesveldt te Antwerpen was de drukker-uitgever. Het was de eerste complete Ned. Bijbel, geheel naar Luthers vertaling. Herhaaldelijk is hij herdrukt, later voorzien van verklaringen in reformatorische geest. Deze, en ook, omdat hij bij Matth. 4 een afbeelding van de duivel, gekleed in monnikspij, had geplaatst, kosten de moedige strijder het leven. Op 28 Nov. 1543 werd hij onthoofd.

2. De Bijbel van Ultenhove. Hij vertaalde (1554— 1556) het N.T. rechtstreeks uit het Grieks. Men stelle zich dit werk toch niet te simplistisch voor. De gedachten der H.S. moesten weergegeven worden in de woorden van de landstaal. Daarom is later onze Statenvertaling niet alleen een meesterstuk van vertaalkunst, maar ook van taalkunde geworden. Ons bestek laat niet toe dit verder uit te breiden.

Zoals wij reeds boven schreven, waren velen uitgeweken. Zij vormden als het ware een geestelijk bruggenhoofd in den vreemde, bestreden van daar uit de vijand en versterkten de broeders onder 't Kruis.

Wij noemen:

1. Oost-Friesland (o.m. Embden.) Graaf Edzard, zijn zoon Enno, later de gravinweduwe begunstigden de Hervorming zeer. In de jaren 1540—1548 arbeidde hier de bekende Pool Johan a Lasco.

2. Bremen: Hierheen was in 1522 H. van Zutphen gevlucht, voormalig prior van het Augustijnerklooster te Antwerpen.

3. Wezel. „Een broeinest van ketterij." Hier werd in 1568 het Convent van Wezel gehouden.

4. Keulen. De aartsbisschoppen beschermden de vluchtelingen!!

5. Heidelberg en Frankenthal. In laatstgenoemde plaats arbeidde een tijdlang Petrus Dathenus. Daar vertaalde hij o.m. de Heid. Cat. in het Nederlands.

Ook Engeland telde veel uitgewekenen.

In de Londense vluchtelingengemeente arbeidden: J. van Utenhove en Johan a Lasco, voornoemd.

Eerstgenoemde schreef een Ned. confessie en vertaalde de Oostfriese catechismus, welke werken in 't vaderland terecht kwamen, gunstig werden ontvangen en algemeen verspreid.

J. a Lasco was de organisator der vluchtelingengemeenten. Beide mannen hadden de volle steun van koning Edward VI. en werkten in Calvinistische geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1950

Daniel | 8 Pagina's

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1950

Daniel | 8 Pagina's