Aristoteles (384-322 voor Chr.)
Is het over het algemeen onmogelijk om in een enkel artikeltje de betekenis of tenminste de invloed van een filosoof te laten uitkomen, zeer zeker is dit onmogelijk bij een man van het formaat van Aristoteles, die van zijn bewonderaars de toenaam ontving van ILLE FILO-SOFUS, DE Filosoof.
Hij werd geboren in het jaar 384 v. Chr. als zoon van de Macedonische lijfarts Nicomachus. Op 18-jarige leeftijd (volgens anderen op 30-jarige) werd hij leerling van de Academie van Plato. Spoedig werd hij leraar in de rhetorica. Na de dood van zijn leermeester in 347 verliet h\j Athene en zwierf enige jaren rond. Als hij 40 jaar is wordt hij door koning Filippus van Macedonië aangezocht — en dit feit tekent wel voldoende de reputatie die Aristoteles genoot! — als leermeester van zijn zoon Alexander, die bestemd was om wereldveroveraar en wereldheerser te worden. Deze zoon is niemand minder dan de bekende Alexander de Grote, die zeer duidelijk aangewezen wordt in Daniël 8 onder het beeld van een geitenhok en die met name genoemd wordt in de boeken der Maccabeeën. Drie jaar lang heeft Alexander onderwijs genoten van Aristoteles. Zij zijn beiden grote Macedoniërs geweest, hun beider levenswerk kan hierin samengevat worden dat ze in een chaos orde geschept hebben: Alexander op politiek terrein; Aristoteles op het terrein van de wetenschap.
Ordening op het terrein van de wetenschap en dan zo, dat er tot op heden nog naar Aristoteles geluisterd wordt, ondanks de vele gebreken die zijn werk moesten aankleven, alleen al uit wetenschappelijk oogpunt, omdat hem de middelen tot onderzoek ontbraken die de wetenschap nu heeft. Hij schreef over sterrekunde, maar kon geen waarnemingen verrichten met een telescoop. Het leven en de bouw van plant, dier en mens moest hij bestuderen zonder microscoop. Toch heeft hij alle „vakken" van de wetenschap systematisch behandeld: logica, physica, psychologie, kosmologie, zoölogie, ethiek, politiek, economie enz.
Hij is in betekenis verre uitgegroeid boven zijn leermeester Plato, die hij vaak in zijn geschriften bestrijdt, evenals trouwens al zijn voorgangers op enig gebied van de wetenschap. „Aristoteles dacht, zoals de Turken, dat hij niet veilig kon regeren, als hij niet eerst zijn broeders had omgebracht." Helaas een kwaad dat meer voorkomt bij mannen van wetenschap!
Toen Alexander de Grote Griekenland verliet en Azië introk om dat te veroveren, waren er in de aan hem onderworpen Griekse steden wel overal regeringen die de Macedoniër gunstig gezind waren, maar de bevolkingen waren zeer vijandig. Toch viel het Aristoteles niet moeilijk om leerlingen te vinden in het vijandige Athene, toen hij zich daar in 334 vestigde en er een nieuwe school opende. Deze school ontving de naam van Lyceum omdat het gelegen was in de nabijheid van een sportveld dat gewijd was aan de Griekse god Apollon Lykeios. Twaalf jaar heeft Aristoteles aan het hoofd van zrjn school gestaan, hij verzamelde er tal van eminente leerlingen, - stichtte er een bibliotheek (er was nog geen boekdrukkunst!), legde grote verzamelingen aan (de eerste dierentuin) en verrichtte zijn talloze onderzoekingen.
De geschriften van Aristoteles zijn bij honderdtallen te tellen. De schattingen variëren van 400 tot 1000. Natuurlijk moeten we er rekening mee houden, dat een deel van de geschriften die op zijn naam gesteld worden, niet rechtstreeks door hem geschreven zijn, maar óf door een staf van secretarissen te boek gesteld zijn, óf door leerlingen en vereerders. Duidelijk is echter in al de overgebleven werken (slechts een deel en toch een biblotheek op zichzelf!) de geest van Aristoteles te bespeuren. Zijn geschriften zijn in streng wetenschappelijke steil gehouden en er is tegenwoordig bijna geen wetenschap denkbaar „die zich niet bedient van termen, welke door Aristoteles zijn uitgedacht en die van hem hun inhoud gekregen hebben."
Als een van de wetenschappelijke verdiensten van Aristoteles wordt genoemd, dat hij, vrijwel zonder voorgangers, uitsluitend door eigen denkkracht, een nieuwe wetenschap opgebouwd heeft: de Logica. Logica wil eenvoudig zeggen: de kunst en de methode om juist te denken. Hij legde er sterk de nadruk op, dat men zijn begrippen nauwkeurig moest omschrijven. Inderdaad een belangrijk ding: de meeste twistgesprekken en debatten hadden achterwege kunnen blijven, als de tegenstander hun begrippen nauwkeurig hadden omschreven.
Wij stellen echter meer belang in de vraag: Wat zegt Aristoteles over de oorsprong, het wezen en het doel aller dingen?
Aristoteles bestreedt de Ideeënleer van zijn leermeester Plato (zie Daniël nr 21 van Vrijdag 24 Maart.)
Om het wezen van de dingen te verklaren stelt A. tegenover elkaar de begrippen „stof" en „vorm". Een door hem gebruikt voorbeeld moge dit duidelijk maken. Een plant neemt voedsel op. Deze zich voedende plant is de „stof". Maar die stof wordt zó verwerkt, dat er bijv. een tulp ontstaat. Dat doet de „vorm", eigenlijk de vormgevende kracht, die in de zichtbare dingen zit en er in werkt met een bepaald doel, namelijk in het voorbeeld om een tulp te vormen.
Heel de natuur wordt door hem verklaard uit deze vormgevende kracht en hij legt er sterk de nadruk op, dat deze op een bepaald doel gericht is. Zo is het ei van een kip bestemd om een kip op te leveren, niet een eend. En uit een eikel komt een eik en niet een wilg. Echter — Aristoteles komt in dit verband niet tot de erkenning van de Goddelijke Voorzienigheid. Zijn „godheid van eigen bedenksel" beredeneert hij op andere wijze. Hij heeft er geen bezwaar tegen om de eeuwigheid van de „stof" te erkennen. Maar er moet volgens hem wel een begin zijn van alle beweging, een eerste vormgevende kracht, iets dat alleen „vorm" is, een eerste Onbeweeglijke Beweger. Dat is de godheid: een onlichamelijk, ruimteloos, onveranderlijk, eeuwig en volmaakt wezen. Echter een godheid, die alleen maar denkt, niet wil, niet handelt. Dat zou op onvolmaaktheid wijzen. De wereld is dan ook niet door haar geschapen. Bij Aristoteles is het begrip schepping, (evenals trouwens in heel de Griekse denkerswereld) onbekend.
In een volgend artikel zullen we iets zeggen over Aristoteles' bewijzen voor het Godsbestaan, over zijn zieleleer. over zijn ethiek en tenslotte iets over zijn verdere levensloop.
Hebben we alvast gelegenheid op te merken, hoe arm de godskennis van Aristoteles is. De natuur heeft hem geleerd dat er een god is. Maar wie deze God is, het is hem onbekend gebleven.
De wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Gelukkig zijn zij, die door de bearbeiding van Gods Geest „verstand gekregen hebben van God en goddelijke zaken" en Hem hebben leren kennen zoals Hij zich in Zijn Woord openbaart, als die God, die ALLE DINGEN WERKT NAAR ZIJN EEUWIGE RAAD?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1950
Daniel | 8 Pagina's