JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS

5 minuten leestijd

Zo was dan de strijd over de twee naturen Christus ten einde. van

Het Westen had een toenemende invloed getoond. De symptonen van scheuring in de kerk waren reeds gezien. Toch zou het officiële schisma pas in 1054 plaats hebben.

De oosterse kerk is wat vorm en inhoud betreft blijven staan, gestabiliseerd.

De westerse daarentegen is voortgegaan op de weg der ontwikkeling.

De soteriologische strijd is ook reeds behandeld. Mede het monnikenwezen in het Oosten. Volgt nu:

Het westers monnikenwezen.

Dit was heel anders geaard, dan dat in het Oosten. De Oosterlingen waren meer speculatief (bespiegelend) en ascetisch; de Westerlingen practischer en rustiger.

De kerkvaders Hieronymus en Ambrosius waren blijkbaar grote voorstanders. Laatstgenoemde schonk in Milaan een klooster.

In N.-Gallië werd het monnikenwezen geimporteerd door Martinus, bisschop van Tours (360.) Bij zijn begrafenis in 397 waren 2000 monniken aanwezig.

In Z.-Gallië stichtte Joh. Cassianus te Massilia een vermaard mannen-en vrouwenklooster.

De bekendste kloosterstichter en - organisator in deze tijd is Benedictus van Nursia (in Umbrie). Na velerlei lotgevallen stichtte hij in 529 een eigen klooster, Monte Cassino, brj Napels, dat geworden is het moederklooster der Benedictijnen.

Hier ontwierp hij zijn bekende orderegelen.

Voor opname in het klooster eiste hij het volgende:

le. Een proeftijd van een jaar.

2e. Na afloop hiervan: het afleggen van de belofte, die geldt voor het leven, nl. het standvastig verblijf in het kloosterarmoede en kuisheid - gehoorzaamheid.

Doel van het kloosterleven is: zelfheiliging door het afzweren van alle wereldse lusten door afzondering en arbeid. Hierin lag opgesloten, dat zielzorg en onderwijs buiten het klooster waren uitgesloten.

Studie der H. Schrift en het lezen van boeken, betrekking hebbend op het kloosterleven, was toegestaan.

Omdat hij echter ook zgn. oblaten (puerioblati), dat zijn God-gewijde, door hun ouders aan het klooster afgestane kinderen, in zijn stichting opnam, kon men toch niet buiten een school. Echter zij direct hierbij gevoegd, dat genoemde oblaten geenszins verplicht waren, later kloosterling te worden. Dit was in het Oosten en bij de Ieren wel het geval. En bovendien eisten de godsdienstoefeningen kennis der latijnse taal.

Overigens stond Benedictus zeer wantrouwend tegenover de beoefening der wetenschap om de wetenschap. Hij vreesde, gelijk zovelen in zijn eeuw en later, een verkeerde invloed.

, , De plicht van een monnik is niet die van een geleerde, maar van een treurende."

En toch zijn zijn kloosters later tot wetenschappelijke centra geworden, waar in scholen opgeleid werd voor het kerkelgk ambt

De man, die daartoe de stoot gegeven heeft, is Benedictus' tijdgenoot en volgeling: Magnus Aurelius Cassiodorus. Ons bestek laat niet toe uitvoerig over deze merkwaardige geleerde te schrijven. Alleen het volgende.

Hij stichtte in zijn klooster Vivarium (Italië) de eerste klooster-bibliotheek met waardevolle handschriften van kerkelijke en profane wetenschappelijke werken. Do boeken der H.S. liet hij in kunstvolle prachtbanden binden.

Nog meer waarde hechtte hij aan de zuiverheid en correctheid van de afschriften der heilige boeken.

Opmerkelijk zijn ook zijn woorden: Nooit hebben de kerkvaders gedaan aan de verachting der wereldlijke wetenschappen. Want door deze wordt onze geest met betrekking tot het doorvorsen en het begrijpen der H. Schrift ontwikkeld.

De studie der H.S. was hem het een en het al, en alle wetenschappen moesten daartoe ten dienste staan.

Hij bracht wijziging in de orderegel, die de monniken tot handenarbeid verplichtte. Hiervoor kwam: het verplicht afschrijven van handschriften. Wie daartoe niet bekwaam is, moest een ambacht uitoefenen.

Men begrijpt het gevolg van deze wijziging: de wetenschappelijke arbeid der monniken komt op de voorgrond.

Ook ons land had in de M.E. zijn Benedictijnerkloosters. Dr Vos noemt er in zijn Vad. Kerkgesch. (dl. I blz. 25) een negental. O.m. de abdijen van Egmond, Rijnsburg, Oudwijk (in Utrecht), Oostbroek (bij Utrecht) met het vrouwenklooster op de Nieuwenhof bij De Bildt.

Velen harer bewoners en bewoonsters waren van adellijken huize.

De grondgedachte van het monnikenleven is onbijbels, omdat men de godsdienst naast het leven plaatst, zegt Landwehr in zijn bekend handboek.

Inderdaad, zo is het.

Op alle levensterrein behoort de heerschappij van Gods Woord erkend en betracht te worden.

's Heeren Woord predikt ons geen onnatuur; nog minder een vei'dienstelijkheid van zulk een onnatuurlijk leven. Het ganse leven sta onder beslag van dat Woord.

Niettemin hebben de kloosterlingen dikwijls veel goeds gedaan.

Wij herinneren aan hun akkerbouw en sociaal werk; vooral aan hun wetenschappelijke arbeid, waaronder het overschrijven van handschriften, ook van de kanonieke boeken der H. Schrift.

Een zeer groot gevaar van het monnikenwezen was de onderscheiding van tweeërlei moraal.

Deze onderscheiding was niet nieuw: i'ceds Origines e.a. spraken er van.

De Roomse kerk onderscheidt nl. praecepta en consilia. De praecepta omvatten hetgeen God in Zijn Woord geboden heeft en zijn noodzakelijk ter verkrijging der eedwige zaligheid. De consilia zijn evangelische raadgevingen; men is er vrij in, maar ze zijn wenselijk en prijzenswaardig. Ja, zij doen de eeuwige zaligheid beter en gemakkelijker verkrijgen!

Tot deze consilia behoren allereerst de zgn. deugden van vrijwillige armoede, kuisheid (echteloosheid), gehoorzaamheid (a.d. prelaten). Verg. eens 1 Joh. 2 : 16.

Verder bidden en vasten op gezette tijden, strijd tegen de vijanden (ketters!), vrijwillige schenkingen en stichtingen tot een heilig (kerkelijk) doel, enz. enz.

De onderscheiding van geboden deugden en vrije, deugden leidde later tot de leer van de verdienstelijkheid der goede werken; idem tot de leer van de „overtollige verdiensten", welke laatste gevoegd bij de verdiensten van Christus de schat der kerk uitmaken, waaruit de kerk (= de paus) door middel van indulgentiën (aflaten) kan putten voor hen, die te kort komen. En dat niet alleen voor levenden maar ook voor de nog in 't vagevuur zijnden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1950

Daniel | 8 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1950

Daniel | 8 Pagina's