JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

plato

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

plato

427 - 347 voor Christus

8 minuten leestijd

II.

Piato's zieleleer.

Toen we in het vorige artikel in het kort Piato's Ideeënleer bespraken, zagen we reeds dat Plato de prae-existentie leerde, dat is het vóórbestaan van de zielen, voor ze met het lichaam verenigd werden. Plato stelt het als volgt voor. Toen de Demiurg of wereldbouwer het heelal en de goden (!) geschapen had, droeg hij aan de goden op om de drie sterfelijke geslachten te scheppen, namelijk: mens, dier en plant. Hijzelf echter vormde het onsterfelijke deel van de menselijke ziel dat is het denkende deel van de ziel en plaatste elke ziel op een ster. In deze tijd van het vóórbestaan hebben de zielen de Ideeën aanschouwd, de onstoffelijke wereld van werkelijk bestaande dingen. Als straf voor hun begeerte naar het materiële werden de zielen op hun tijd verbonden met een lichaam. Volgens Plato behoren ziel en lichaam niet bij elkaar, maar is de ziel in het lichaam opgesloten als een vogel in een kooi. De dood is daarvan geen ver-'lossing, want de ziel moet zolang verhuizen van het ene lichaam in het andere tot de begeerte naar het zinnelijke geheel is gedood. Plato komt dus, doordat hij een voortbestaan van de ziel na de dood en een vergelding na de dood leert tot de leer van de zielsverhuizing.

Hoe stelt nu Plato verder de ziel voor? Deze bestaat volgens hem uit een hoger en een lager deel. Het hogere deel is het onsterfelijke waarover we hierboven «praken, het is de zetel van het - denken en heeft zijn plaats in het hoofd. (Het hoofd heeft de volmaaktste vorm, de bolvorm.)

Het lagere, sterfelijke deel' moet weer in tweeën worden gedacht. De willende ziel, die zich bevindt in het hart en zich openbaart in moed en eerzucht. Tenslotte de begerende ziel die zijn zetel heeft in de buik; deze zoekt naar zingenot.

Het denken is nu als een wagenmenner, die twee paarden in bedwang moet houden. Eén daarvan is gewillig, namelijk de willende ziel. Het andere paard, de begerende ziel is wederstrevig, wil telkens de verkeerde kant uit. In deze opvatting is Plato nuchterder dan zijn leermeester Socrates, die meende dat de deugd leerbaar was en dat alleen recht inzicht deugdzaam zou maken.

Als Plato dan ook de vraag stelt: Waarom komt er geen Utopia, geen Paradijs op aarde, al streeft iedereen daarnaar? dan is zijn antwoord: Vanwege de hebzucht en weeldezin der mensen.

Piato's ethiek of zedeleer.

In verband met de indeling van de ziel in drieën onderscheidt Plato de volgende kardinale deugden:

de wijsheid, die de deugd moet zijn van de denkende ziel;

de dapperheid, die de willende ziel siert;

de matigheid of zelfbeheersing die eigen moet zijn aan de begerende ziel.

Tenslotte is volgens hem de gerechtigheid of rechtschapenheid de deugd die gevormd wordt als de eerste drie deugden in de juiste verhouding bestaan.

Deze deugd der gerechtigheid komt tenvolle tot ontplooiing in de goede samenleving, namelijk dan, als ieder doet wat hem eigen is, dus wat in overeenstemming is met zijn aanleg. Deze uitspraak van Plato voert ons tot zijn Staats-en opvoedingsleer.

„Staten worden gemaakt door de menselijke naturen die hen samenstellen; de staat is wat zij is, omdat de burgers zijn wat zij zijn; we moeten geen betere staten verwachten voor we betere individuen hebben."

Als we deze uitspraken van Plato nagaan zien we dadelijk in, dat Piato's politiek en paedagogiek bij elkaar horen. In „De Staat" (of „De Republiek") geeft Plato een volledige uiteenzetting, hoe die staat moet worden ingericht, ook hoe de burgers moeten worden opgevoed: een staatsburgerlijke opvoeding!

Plato onderscheidt drie klassen van mensen, die overeenkomen met de drie delen van de ziel, hierboven genoemd.

Tot de laagste stand, die heenwijst naar de begerende ziel, behoort de grote massa van boeren, kooplieden, fabrieksarbeideres enz. Zij moeten werken om de beide hogere klassen van het nodige voor hun levensonderhoud te voorzien.

De tweede stand komt overeen met de welwillende ziel en omvat de staatsbeambten en de wachters (soldaten.)

De hoogste stand die aansluit bij de willende ziel is de klasse der regeerders of bestuurders. Zij moeten filosofen zijn.

Wanneer ieder op zijn juiste plaats werkzaam is en zich niet bemoeit met datgene wat behoort tot het terrein van een ander, ontstaat de gerechtigheid in de staat

Scherp hekelt Plato de dwaasheid in dc verworden democratie waar het volk zijn regeerders kiest. Wie schoenen te repareren heeft kiest een vakman. Maar als regeerder wordt hij gekozen die, op welke slinkse wijze ook, het meeste stemmen weet te verwerven. Plato zoekt naar een methode om de beste mensen uit te kiezen en voor te bereiden voor de taak van regeren, want: „niet voordat de filosofen koning zijn, of de koningen en vorsten de macht der wijsheid bezitten, zullen de staten ophouden ziek te zgn".

Alles komt aan op een juiste opvoeding en een goe-

dc schifting om de drie standen te doen ontstaan. De opvoeding behoort eigenlijk al voor de geboorte te beginnen; zeer nauwkeurig geeft hij aan, hoe de voortbrenging van het menselijk geslacht geregeld dient te worden. We gaan hierop niet verder in, maar merken op dat hij er waarschijnlijk zelfs voor was, bij een „ongewenste geboorte" de pasgeborene te doden.

Gedurende de eerste tien levensjaren moeten de kinderen, die feitelijk staatseigendom zijn, zoveel gezondheid opdoen, dat artsen en medicijnen overbodig gemaakt worden. Dan volgen tien jaar van onderwijs voor allen, waarbij behalve aan sport en muziek aandacht geschonken dient te worden aan de intellectuele vorming. Al staat het volgens Plato vast, dat geen enkel geloof bewijsbaar is, toch moet het geloof in een God bijgebracht worden, omdat dit nuttig is.

bijgebracht worden, omdat dit nuttig is. Na deze tien jaar kan men over de aanleg oordelen en wordt de grote klasse van handelswerkslieden enz. aangewezen. De rest krijgt nog verder onderwijs, tot bij een tweede, zwaardere proef uitgemaakt wordt, wie behoren zal tot de tweede klasse, die der beambten en soldaten. De meest begaafden krijgen nog 5 jaar onderwijs in de filosofie, ze moeten Plato's Ideeënleer bestuderen. Daarna gaan ze nog 15 jaar het volle harde leven in om te zien wie dan nog zal bezwijken en zo zijn op hun vijftigste jaar de bestuurders van de staat automatisch tevoorschijn gekomen. Automatisch, dus zonder de intrigues van de stembus.

Zowel de groep bestuurders als de beambten en dc soldaten zouden een gevaar voor de maatschappij kunnen vormen, wanneer zij hun eigen belangen zouden gaan najagen. Hiertoe zouden zij te gemakkelijker komen als zij in de vervulling van hun plichten belemmerd zouden worden door huiselijke zorgen. Daarom wil Plato voor hen afschaffing van privaatbezit, maar ook van gezinsleven. Voor hen dus een consequent doorgevoerde communistische samenleving.

Slotbeschouwing en critiek.

Allicht stellen we ons na de lezing van dit alles de vraag: Gaf Plato nu alleen maar zuiver theoretische ontwerpen, of zijn ze, althans ten dele ook door hem in praktijk gebracht?

In de eerste plaats wijzen we er op, dat Plato op uitnodiging van Dionisius van Syracuse op Sicilië getracht heeft zijn denkbeelden in praktijk te brengen, een Utopia op te bouwen. Deze pogingen zijn mislukt. Dc vorst moest filosoof worden en dat wenste hij niet. •Er kwam ruzie en zelfs is Plato nog als slaaf verkocht geweest.

Wel kan erop gewezen worden, dat in de Middeleeuwse Ropmse priesterstaat tenminste enkele Platonische denkbeelden verwerkelijkt zijn. Men verdeelde de bevolking in de Christelijke landen in drie groepen: laboratores of werkers; bellatores of soldaten en oratores of geestelijken. Ook de invoering van het celibaat (de ongehuwde staat der geestelijken) herinnert aan Plato's eis, dat de regeerders (en dat waren de geestelijken!) niet gehinderd mochten worden door gezinszorgen. Trouwens de invloed van Plato is onmiskenbaar groot geweest, zelfs tot op heden. We hopen gelegenheid te hebben, daar nog wel eens op te wijzen.

Tenslotte: wat zullen wij van Plato en zijn denkbeelden zeggen, bij het licht van Gods Woord. We zijn begonnen erop te wijzen, dat er niets nieuws is onder de zon. Heeft het ons niets te zeggen, dat na ruim tweeduizend jaar de wereld nog zoekende is naar de betere maatschappij en de gelukkiger wereld die Plato voorgesteld heeft? En dat veelal met dezelfde middelen: geboortebeperking en geboorteregeling; gelijkstelling van de vrouw; staatsburgerlijke opvoeding enz. Plato blijft voor ons een heidens filosoof, ondanks sommige goede gedachten en nuchtere beschouwingen.

In de eerste plaats, omdat hij wel spreekt over een „Godheid", maar een van eigen gedachte.

Voorts omdat hij wel de mens ziet als geneigd tot alle kwaad, (hoewel hij niet het begrip zonde kent) maar niet als onbekwaam tot enig goed. Wie hier een halve waarheid zegt, spreekt een leugen uit.

Dan: Plato beschouwt de ziel als van nature goed, het lichaam is de oorsprong van het kwaad. En daardoor kan hij nooit komen tot de enige troost die er is in leven en sterven en die ons alleen in Gods Woord geopenbaard is: dat ons Volk uit genade het eigendom wordt van Christus, omdat ze door hem gekocht zijn met ziel en lichaam beide. (Cat. vraag 1.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1950

Daniel | 8 Pagina's

plato

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1950

Daniel | 8 Pagina's