Het eerste kleed.
En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan. (Genesis 3 : 21.)
In de eerste drie hoofdstukken van Genesis ligt de ganse geschiedenis der aarde en van het menselijk geslacht. De gescheidenis van de mens; zijn oorsprong, zijn val, zijn wederoprichting, zijn strijd en zijn overwinning tot op de wederkomst van Christus.
Daarin is ons de grond-of moedergedachte gegeven van de ganse wereldgeschiedenis en van het verlossende werk Gods van al Zijn gunstgenoten. Ook wordt in dat gedeelte, zoals blijkt uit onze tekst, gesproken van het eerste kleed, dat de mens gedragen heeft.
Ook dat is een openbaring die rijk aan lering, vermaning en vertroosting zal blijven. Het is daarom dan ook de moeite wel waard, daaraan eens even onze aandacht te wijden.
Immers in de staat der rechtheid had de mens geen kleed nodig, want het beeld Gods was in de gehele mens. Door zijn lichaam is de mens van de engelen en door zijn geest van de dieren onderscheiden. De mens naar het beeld en de gelijkenis Gods geschapen is ook afschijnsel van Gods heerlijkheid. Hij bezit oorspronkelijke gerechtigheid, hij heeft kennis en heiligheid. Hij staat daar als het hoogste schepsel. De ganse schepping beoogt de verheerlijking Gods en de mens als het pronkjuweel in die schepping, had zulk een hoge plaats, dat al het geschapene de mens zou dienen, opdat de mens zijn God zou dienen en verheerlijken. Wat een heerlijke en Godverheerlijkende staat!
Adam en Eva waren dan ook beide naakt, tt5en God hen schiep. Alleen het naakte was ook waarlijk schoon, wijl het heilig was.
In de oorspronkelijke naaktheid van de mens schittert de majesteit en heiligheid des Scheppers. Wat zijn toch de gevolgen der zonde ontzettend. Heeft Vader Hellenbroek het ons niet zeer duidelijk geleerd? Bestap het niet in het verliezen van Gods Beeld, een gevoel dat zij naakt waren, de schrik in het geweten alsmede het uitdrijven uit het paradijs en dan: de dood.
Wee ons, dat wij zo gezondigd hebben! Wat is het toch nodig, dat wij door de bediening van Gods Geest aan dat verlies ontdekt worden. Dat daardoor de mens ellendig geworden is en de wil en het vermogen verloren heeft, dat verlorene door zichzelf terug te verkrijgen. Daarom moeten wij een kleed dragen, omdat wij zondaren zijn, omdat we ons van God, Die ons ware Leven is, hebben losgerukt. Wij lezen dan ook, dat de eerste behoefte, die de mens na de zondeval gevoelde, de behoefte was aan een kleed. Vóór de zondeval was de > naaktheid de heilig natuurlijke en heerlijke staat van vde mens. Maar toen de zonde er was, kwam er gewaarwording, dat hinderlijke gevoel, dat zich bewust worden van in schande te verkeren. En toen kwam terstond aan het licht het vernuft van de kinderen der mensen; het vernuft dat in de gevallen mens is overgebleven, de drang om zichzelf in zijn omstandigheden te redden:
„zij hechtten vijgeboombladeren samen en maakten zich schorten."
Verder ging het vernuft nog niet. De mens maakte zich schorten die het middelste des lichaams bedekten, de schaamte-of de schanddelen, die God formeerde met het oog op de voortplanting van het menselijk geslacht. In die ellende kon de mens niet anders doen.
Hij wist nog niet, dat de zonde niet uit het lichaam, maar uit het hart voortkomt en vergenoegde zich met een schamel schortje. Verstand om een kleed te maken had hij niet en kon hij niet, omdat hij door de val dadelijk terecht kwam in de geestelijke dood. Hoe rechtvaardig had God de mens in zijn diepe ellende kunnen laten liggen. Maar krachtens Zijn souvereiniteit en eeuwige zondaarsliefde was Hij de eerste, Die naar de diepgevallen mens afdaalde en hem opzocht. Doch eer Adam dat eerste kleed ontving, moest de gerichtshandeling tussen hem en God plaats hebben. Hij moest tot de bekentenis van zijn naaktheid komen, die bekentenis moest over zijn lippen komen: k vreesde U Heere, want ik ben naakt, daarom verborg ik mij. Gen. 3 : 10.
Het „Waar zijt gij? " was voor de gevallen mens de dagvaarding die hem opriep om voor zijn Rechter te verschijnen. Het door hem gemaakte schort is onvoldoende om hem vrijmoedig te voorschijn te doen komen om zijn God te ontmoeten. Het is een toestand van bangheid en vreze, waarin de eerste mens en ook wij allen verkeren.
In die toestand werd de mens verdreven uit het Paradijs. Maar eer hij uitgedreven werd voorzag de Heere in een behoefte. Let er vooral op, wat daaraan vooraf ging. De Goddelijke gerechtshandeling zowel over Eva als over Adam kunnen wij lezen in Gen. 3 : 11—19.
Maar zie de grootheid van Gods eeuwige liefde en barmhartigheid in vers 15. De vriendschap, die de mens met Satan gesloten had, zou de Heere verbreken door Hem, namelijk Jezus Christus, Die uit het zaad deivrouw zou geboren worden, daar Hij de kop des Satans zou vermorzelen, al zou Satan dan ook de verzenen van Christus en Zijn gemeente vermorzelen. Ziet eens de donkerheid der zonde en het licht der genade dat voor al Gods volk in Christus ontsloten is.
Geen weg voor de gevallen mens meer mogelijk om
ooit in Gods gemeenschap hersteld te worden dan alleen door en in Hem, die Zich in de moederliefde komt te ontsluiten. Ziet eens hoe God zelf de naakte zondaar bekleedt. Ziet eens in onze tekst, wat de Heere deed. Deze mededeling doet onwillekeurig verschillende vragen opkomen, vragen die niemand bevredigend kan beantwoorden. Het heeft de Heilige Geest niet behaagd ons alles in bijzonderheden mede te delen en ons te zeggen hoe God alles gedaan heeft.
Niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar om onze behoeften te vervullen, is de Heilige Schrift ons gegeven. Maar dit moet ons genoeg zijn om te weten, dat hetgeen de mens in zijn gevallen staat nodig heeft, niet uit hem zelf is voortgekomen. De mens zelf is de uitvinder van dat kleed niet, waarin de vervulling van zijn behoefte verklaard is. Dat alleen is uit God en het komt van God uit eeuwige, onbegrijpelijke liefde. Maar hierover zijn de vertrouwde Godgeleerden het eens, dat de vellen, waarmede de Heere Adam en zijn vrouw dekte, afkomstig waren van offerdieren. Het leven van een, die moest geofferd worden om het leven van de mens te redden. Ziet eens, dat in dat eerste kleed, dat God de mens gaf, het begin geopen-baard werd van de gehele verlossing.
Een begin van dat verlossingswerk, dat in de moederbelofte beschreven wordt, van dat heerlijk einde, dat de verlosten uit Adams nakomelingen zou doen juichen: „Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan."
Met dat kleed van Christus' gerechtigheid bekleed kunnen wij alleen bestaan voor 's Heeren aangezicht. Dat kleed is niet van tweeërlei stof, maar geheel door Hem geweven. Hoe nodig is het voor ieder onzer, jong of oud, dat wij door Gods Geest ontdekt worden aan hetgeen wij door de zonde verloren hebben, namelijk het beeld Gods. En dat kunnen wij nooit meer teruggeven, al blijft de eis Gods daaromtrent op ons allen rusten. Gelukkig, die aan dat geheim ontdekt mag worden en een welgevallen krijgt in de straf van Cfods rechtvaardigheid. Die in zijn geestelijke naaktheid verklaard, dat onderwijs mag ontvangen, dat Christus door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid dat kleed, die geldende gerechtigheid verworven heeft, om de naakte zondaar daarmede te bekleden. Dat is het voor God geldende kleed, waardoor Hij geen zonde ziet in Zijn Jacob en geen overtreding in Zijn Israël. Hoe groot is die weldaad, om met dat kleed, wat ook het enige is, bekleed te mogen worden. Dat de Heere het U leerde door de kracht Zijner genade opdat wij niet op veronderstelling of op uiterlijk aannemen onze hoop voor de eeuwigheid bouwen, maar ontdekt door Zijn Geest aan de wezenlijke en geestelijke naaktheid, waarin wij ontvangen en geboren zijn, wij door diezelfde Geest met Christus' gerechtigheid mogen bekleed worden; dan alleen zullen wij niet naakt bevonden worden in die dag, dat wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Jezus Christus. Dan zullen wij ervaren, dat het bedeksel van eigen vinding vervangen wordt door de bedekking, die de Heere Zyn volk gaf en hun ook aantrok. De Heere deed alles. Hij maakte de rokken en toog ze hun ook aan. Zo ook geeft de Vader Christus met al Zijn weldaden, opdat Zijn volk zal beleven: Uit genade zijt gij zalig geworden en dat niet uit U, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme." Efeze 2 : 8-9.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1950
Daniel | 8 Pagina's