VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan: | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid
J. B. te Bandoeng schrijft my het volgende: „Er wordt in het contactblad „Soerabaja" geschreven van een Goddelijk beroep. Dit is mij iets wonderlijks om te begrijpen, dat een mens dat kan vervullen. Zulk een beroep is toch volmaakt?
Antwoord. Beroep in de zin van een maatschappelijke betrekking komt in de H. Schrift niet voor. Het meest gelijkt nog op deze betekenis het gebruik van 1 Cor. 7 : 20: Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is", doch daar wil het, evenals in Efez. 4:4: Gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping", toch iets meer zeggen nl. hetgeen waartoe men geroepen is, de roeping van Gods volk.
Wel spreekt de catechismus in Zondag 49 van zulk een maatschappelijk beroep. Daar toch lezen wij: „Opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in de hemel doen."
Dat beroep is een Goddelijk beroep, omdat in de staat der rechtheid de mens ook geroepen was te arbeiden. En al is het waar, dat die arbeid na de zondeval i.z.h. van de man geschiedt in het zweet zijns aanschijns, nochtans bljjft de opdracht: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt."
Onder Goddelijk beroep wordt dus alleen verstaan, dat de mens van God een plaats ontvangt onder Zijn Goddelijke Voorzienigheid, waar hij zal werken en welk beroep hij zal waarnemen. En aangezien wij niet in Gods Besluiten kunnen blikken, blijft er voor de mens niets anders over, dan te doen, wat zijn hand vindt om te doen.
Geschiedt dit biddend en in steil diepe afhankelijkheid van de Heere, dan is dit een genadig voorrecht. Dan ook zal vervuld worden: „De hand des vüjtigen zal gezegend worden."
't Ware te wensen, dat onze jonge mensen, wanneer zij geroepen worden een beroepskeuze te doen, dit biddend deden en met de dichter van Ps. 32 mochten vragen: „Wijs U mij de weg, die ik te gaan heb, geef U mij raad en laat Uw oog op mij zijn."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1950
Daniel | 8 Pagina's