VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rul)riek aan : I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V. J
J. v. D. te G. schrijft: „In het doopsformulier lees ik in het gebed: „Gij, Die de verstokte Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid hebt, door hetwelk de doop beduid werd enz." Wat wordt daarmee bedoeld? "
Antwoord: eze uitdrukking is ontleend aan 1 Cor. 10 : 1 en 2 waar we lezen: En ik wil niet broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren en allen door de zee doorgegaan zijn en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee." Het volk Israël werd wonderdadig geleid door de Rode Zee, waarin de Egyptenaren verdronken. Wat voor Farao en zijn volk een graf werd, werd voor Israël een weg. Dit is een geschikte afbeelding van de verlossing door Christus voor al de Zijnen, Die dat volk behoudt door het overwinnen en vernietigen van al Zijn vijanden. Alzo spreekt ook art. 34 van de Ned. Geloofsbelijdenis, wanneer het zegt, dat dit geschiedt door de besprenging van het dierbaar bloed des Zoons Gods, Die onze Rode Zee is, door welke wij moeten doorgaan om te ontgaan de tirannie van Farao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijk land Kanaan.
Nu is het duidelijk, dat dit voorrecht niet elke dopeling ontvangt want in 1 Cor. 10 : 5 lezen we: Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want ze zijn in de woestijn teneergeslagen."
Men kan in deze wereld vele grote en geestelijke voorrechten genieten en toch het eeuwige leven derven. Niemand mag zich verheffen op zijn grote geestelijke voorrechten of belijdenis van de waarheid. Deze verzekeren hem de hemelse zaligheid niet, terwijl de wor-
tel der zaak in hem gevonden worde. Verder verwijs ik u naar de „Red. Gods. v. Brakel" Deel 1 bladz. 980, naar „Sions Roem en Sterkte" deel 2 bladz. 227 en naar de „Inst" v. Calvijn deel 3 4e boek Hoofdst. 15 No. 9.
Jong. Vereen, te R. vraagt: „Was het de mening van Johs. Calvijn, dat de Zondag geen bijzondere dag is, maar dat elke dag van de week enkele uren moeten worden afgezonderd voor de dienst des Heeren!
Antwoord: Ik wil zeggen, dat als we de institutie van Calvijn opslaan bij de verklaring van het 4e gebod (boek II Hoofdstuk 8 afd. 28 t.m. 34), dat er enige uitdrukkingen in zijn, die ik gaarne voor Calvijn laat, en waarmee ik het niet helemaal eens ben.
Als hij schrijft: „En toch hang ik niet zo aan dat getal zeven, dat ik de kerk zou willen binden aan het houden daarvan. Immers ik zal de kerken niet veroordelen, die andere dagen bestemd willen houden voor hun samenkomsten, mits zij zich slechts onthouden van bijgeloof, " dan houd ik het liever bij de eerste dag der week, omdat ik meen, dat dit naar Gods Woord is.
Nu moet u uit deze zinsnede niet opmaken, alsof Calvijn op het standpunt stond, dat alle dagen gelijk waren, mits men maar een paar uren afstond voor de dienst des Heeren, want dat bestrijdt hij juist in afd. 33. Hij noemt het dwaze mensen, die zich beroepen op Gal. 4 : 10 en 11 en Rom. 14 : 5. Hij zegt: Van welke onthouding spreekt de apostel?
Want zij hadden niet het oog op die regerings-en kerkelijke orde, maar daar zij die als de schaduw van geestelijke dingen behielden, verduisterden zij evenzeer de heerlijkheid van Christus en het licht des evangelies. Van de werken hunner handen rustten zij niet daarom, omdat die hen afhielden van de heilige bezigheden en overdenkingen; maar zij deden dat door godsdienstige overwegingen, omdat ze droomden, dat ze door te rusten oudtijds bevolen verborgenheden herdachten. Tegen deze verkeerde onderscheiding der dagen gaat de apostel in, niet tegen de wettige keuze, die de vrede der Christelijke gemeente dient enz."
Telkens gaat Calvijn uit van de gedachte, dat een bijgelovige onderhouding der dagen van de Christenen verre moet zijn. Al is het waar, dat Calvijn ruimte gaf aan hen, die niet aan het getal zeven hingen, toch is duidelijk, dat hij zelf de voorkeur geeft aai: de eerste dag', want hij schrijft in afd. 34:
„Trouwens niet zonder oordeel des onderscheids hebben de ouden de dag, die wij de dag des Heeren noemen, in de plaats van de sabbat gesteld. Want door het einde en de vervulling van die ware rust, waarvan de oude sabbat een afschaduwing was, gelegen is in de opstanding des Heeren, worden de Christenen juist op die dag, die aan de schaduwen een eind gemaakt heeft, vermaand, dat zij niet in schaduwachtige ceremoniën moesten blijven hangen."
Ook is het standpunt, van Calvijn bekend, dat hij voor de Christelijke feestdagen niets voelde, juist omdat hij de dag des Heeren zo hoog aansloeg, dat naar zijn oor-
deel de heilsfeiten op die dag herdacht konden en moesten worden. U ziet dus wel, dat Calvijns opvatting van de dag des Heeren nog al mee valt. Hij legt de nadruk, dat 's Heeren kinderen hun gehele leven lang een voortdurende rust van hun werken beoefenen, opdat de Heere daardoor in hen door Zijn Geest werke en vervolgens, dat zij onderhouden moeten de wettelijke orde der kerk, die ingesteld is tot het horen van Gods Woord, de bediening der sacramenten en het houden der openbare gebeden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1950
Daniel | 8 Pagina's