Grepen uit de Letterkunde
(12.) Joji Luyken I.
Er zijn uitgaven van het bekende boek van Bunjan „Eens Christens reize naar de eeuwigheid", waarin oude tekeningen zijn opgenomen, die velen niet zo interesseren. Ik zou zeggen: dat bijna driehonderd jaren geleden iemand die fijne lijntjes heeft getrokken met een scherpe etsnaald, wellicht bij het schaarse licht van kaarsen. Wat een wondere gewaarwording: je léést in genoemde „Christenreize, " geschreven door een eenvoudige ketellapper, en je ziet afbeeldingen die haast drie eeuwen oud zijn. Als die schrijver en als die etser (tekenaar) dét nog eens konden weten! Nooit hadden
ze kunnen denken, dat in 1950 hun werk nog gelezen en bekeken zou worden.
Wie was die tekenaar? Wel, zijn initialen staan in een hoekje van de tekening. Zie maar: I. L. In onze tijd zouden we schrijven: J. L. In de 17e eeuw werd Immers voor een J een I geschreven. Kijk maar in de oude Statenbijbels.
Die I. L. was niemand anders dan Jan of Joannes Luyken, waarover we nu in deze rubriek het een en ander wensen te schrijven.
In het jaar 1649 werd hij geboren te Amsterdam. Het was dus even na de Munsterse vrede, die een eind maakte aan de tachtigjarige strijd met Spanje. Vader Kaspar was uit de Duitse stad Essen gekomen en was in het huwelijk getreden met Hester Cores, uit Zeeland afkomstig.
Bij het opgroeien bleek, dat Jan grote gaven waren geschonken. De jonge Luyken legde zich toe op de schilder-en etskunst en begon ook verzen te schrijven. Helaas openbaarde zich ook bij het ontwikkelen van de schone gaven, een verlaten van de godsdienst. Jan schepte alleen behagen in de wereldse genoegens van het leven. Dit blijkt heel duidelijk uit zijn eerste gedichten, die hij in een bundeltje de „Duytse Lier" in 1671 (dus op 22-jarige leeftijd) uitgaf. De Lier, die Luyken hier bedoelde, was niet de gewone lier (de Griekse), maar een soort gitaarvormig draai-instrument, dat op oude gravures nog is te zien.
Deze dichtbundel bevatte allerlei luchtige liefdesverzen, die sterk aan de grote dichter Hooft herinneren. Vooral de schildering van de natuur is treffend. Slechts één bekend gedicht uit de „Duytse Lier" wil ik hier noemen, om in 't vervolg langer stil te staan bij Luykens later werk.
Het gedicht, dat ik op het oog heb, is getiteld: Buitenleven. Het begint aldus:
„Gelukkig mens, wien 't is gegeven, bij 't vreedzame en onnozele vee, dat nooit noch kwaad noch onrecht dee, in t veld zijn dagen af te leven; de bloemekrans braveert de gouden kroon, die 's konings zorg bij nacht doet waken; geruster zit men onder daken van riet gebouwd, als op de hoge Troon."
Dit gedicht' spreekt voor zichzelf; alleen de vijfde regel is iets lastig door het woord „braveert." Luyken wil zeggen: de bloemekrans tart de gouden koningskroon; de bloemekrans kan gerust met de koningskroon wedijveren.
Vervolgens schrijft hij:
„O, hoe plezierig is't te kruipen ter kooie, op een veed'ren zak, in 't landhuis, onder 't lage dak, wanneer de regenvlagen druipen, een koele wind in hoge beuken ruist, de krekel die geen zorg wil dragen voor winter, zingt uit ruigte en hagen, totdat men wordt in zoete slaap gesuisd."
We merken wel hoe gemakkelijk Luyken met de taal omgaat. Er zit vaart en muziek in de verzen. Merk vooral hoe schoon is gezegd: „wanneer de regenvlagen druipen, een koele wind in hoge beuken ruist." We horen de regenvlagen aankomen en de wind in het hoog geboomte.
Luister nu verder, hoe schoon de natuur wordt bezongen:
„Men opent vensteren en deuren, men ziet de starren dun gezaaid, men voelt hoe 't westenwindje waait, dat met een schat van verse geuren, van vlierbloem en violen suikerzoet, van wijnruit, tijm en hagerozen, die als een rood scharlaken blozen, u in uw huis zo liefelijk begroet.
Daar ziet men 't blode haasje lopen, ginds zeilt de havik in de lucht, de klokhen raast en is beducht, dat hij haar komt heur kiekens stropen; cle tortel kort, de zwarte lijster fluit, men hoort langs 't veld de beesten loeien, terwijl de dag begint te gloeien, en langs hoe meer haar licht te spreiden uit."
Deze enkele coupletten uit „Buitenleven" geven ons een bewijs van Luykens kunnen. Als er op 26-jarige leeftijd een treffende verandering komt bij de dichter, dan verandert niet de versbouw, maar wel het onderwerp dat bezongen wordt. Dan ontstaan de geestelijke, liederen, waarover een volgende keer.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1950
Daniel | 8 Pagina's