grepen uit de ketterkunde
(II)
Een bekende Vlaming.
De leerlingen bij het middelbaar onderwijs moeten bjj de literatuurles veelal dingen aanhoren, die strijden tegen hun godsdienstige overtuiging. Bij lessen in natuurkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, ja, bij welk vak nu niet eens, kunnen telkens botsingen ontstaan tussen de „hooggeroemde geleerdheid" en de Leer, die naar de Schrift is. Het is daarom zo nodig (en zeker op de leeftijd tussen 14 en 20), dat er een vaste grondslag aanwezig is, die rust op de onfeilbaarheid van Gods Woord. Het is een onschatbaar voorrecht, dat leerlingen alles slechts als kennisgeving aannemen, dat in strijd is met de uitspraken van de Bijbel.
Nu moet aan de andere zijde niet zó worden geredeneerd, dat onderwerpen waartegen we principieel bezwaren hebben, niet bestudeerd moeten worden. Een voorbeeld: een jongeman studeerde voor het middenstandsdiploma. Bij die studie komt ook aan de orde wets-en rechtskennis, waarbij de verzekeringswetgeving een beurt krijgt. Genoemde jongeman was tegen assurantie, bijgevolg bestudeerde hij die lessen maar niet. Hoe of dat op het examen zal aflopen, . als hij juist over de verzekering ondervraagd zal worden? Ik vrees een slecht cijfer.
Dit uitstapje moest eerst gemaakt, om de aandacht even te vragen voor een rooms dichter uit Vlaanderen.
Eind November was het een halve eeuw geleden, dat Guido Gezelle is overleden. En nu is de vraag: hoe moeten onze leerlingen staan tegenover het werk van die roomse priester?
We kunnen vooraf zeggen dat er een groot onderscheid is tussen de kwaliteiten als dichter en tussen de persoon in kwestie. Bespreken we het werk uit literair oogpunt, dan moeten we tot de slotsom komen, dat Gezelle een groot dichter was. Hebben we het over de persoon, dan weten we dat hij een roomse pastoor was.
Moeten de leerlingen van u.l.o. en h.b.s. en andere onderwijsinrichtingen nu maar botweg zeggen: „o, die verzen van die roomse Vlaming, weg er mee? " Als we zó deden, wat zou er bij de studie dan over boord moeten!'
Het is een groot verschil of we met iets instemmen, of dat men dat „iets" slechts bestudeert. Een enigszins ontwikkeld mens moet bv. weten wie Guido Gezelle wé.s en waarom hij in elk literatuurboek met ere wordt genoemd als dichter.
Ik zou in dit artikeltje toch nog op iets anders willen wijzen. Niet alleen dit, wat H. L. Prenen van hem schrijft in Elzeviers Weekblad: „Hij die ons handen vol gedichten geschonken heeft, die tot de grootste en schoonste van onze literatuur gerekend mogen worden" — maar Guido Gezelle is voor ons diep-beschamend.
Hoe ziet hij in de schone natuur de grote werken Gods. Bij het aanschouwen van de (voor de meesten van ons) onbeduidendste dingen, klimt hg met zijn gedachten op tot Hem, die dit alles geschapen heeft. Als hij de schrijverkes ziet, een soort watertorretjes, die schijnen over het water te lopen (bij velen onzer onbekend en in onze gejaagde tijd hebben we wel iets anders te doen, dan naar zoiets te kijken), dan schrijft Gezelle daar een gedicht over, dat tot opschrift heeft: Het schrijfwerk.
In dat gedicht gaat hij eerst zeggen, hoe die kleine diertjes er uitzien en wat ze doen:
„Gij loopt over 't spegelend water klaar, en 't water niet méér en verroert dan of het een gladdige windje waar, dat stille over 't waterke voer."
En dan vraagt hij wé.t ze toch schrijven, de hele dag door, waarop hij de schrijverkes laat antwoorden:
„Wij schrijven, " zo sprak het „al krinklen af hetgeen onze Meester, weleer, ons makend en lerend, te schrijven gaf, één lesse, niet min nochte meer; wij schrijven, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zo bot? Wij schrijven, herschrijven en schrijden nóg, de heilige Name van God!"
Bij een anaere gelegenheid luistert hij naar het ruisen van het ranke riet en sluit dan het gedicht met deze woorden:
„verwerp toch ook mjjn klachte niet: ik arme, kranke, klagend riet."
Luister nog even naar het volgende:
„Verloren, verloren geploegd en gezaaid, als God in de voren geen vruchten, laat gaan; verloren, verloren, gewaakt over steê is Hij van hier boven den waker niet mee; verloren, verloren gerijmd en gedicht, waar God niet het vorenste en 't laatste van is!"
Tenslotte zou ik er nog op willen wijzen, dat bij Gezelle blijkbaar de rozenkrans niet voldoende was, het prevelen van onze-vaders en weest-gegroetjes. Hoor slechts naar deze droevige klacht:
„Heer, mijn hert is boos en schuldig, maar Gij zijt barmhartig, - en duizendmalen meer verduldig als dat ik boosaardig ben.
Geef mii dan, o Heer, ik vraag het, geef mij hulpc en staat mij bij; 'k heb gezondigd, ik beklage 't, help mij, God! vergeeft het mij!"
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1949
Daniel | 8 Pagina's