JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

5 minuten leestijd

(X.)

Op reis naar Oost-Indië.

(J. v. Lodensteyn, Uitspanningen deel III.)

Velerhande voorvallen heeft Van Lodensteyn bezongen: er staan in „Uitspanningen" gedichten op het overlijden van vooraanstaande personen; op verjaardagen van familieleden en vrienden; verzen over reizen, die de dichter heeft gemaakt; ja, zelfs over „een vers hoenderei, geschonken tot verkwikking."

We zullen nu bezien een gedeelte van een gedicht van wel 24 coupletten, door Van Lodensteyn geschreven de 13e November 1659. De volledige titel luidt:

„Voorzang van de godvruchtige leraar Gerardus Holkenborg, en zijn huisvrouw Maria van Waalre, te zingen op haar reis naar Oost-Indië. (Wijze: Ps. 103.)"

Uit het gedicht kunnen we opmaken, dat Holken-

borg naar de iropen trekt, vergezeld van zijn vr< ? u ^> om het Evangelie te gaan verkondigen. Nu laat de dichter de predikant en zijn vrouw aan 't woord, zoals de dichter van ons volkslied prins Willem doet spreken. Dominee Holkenborg en zijn echtgenote beginnen als volgt te spreken:

„Op Uw gena, genadig Heer, ontbinden wij 't vluchtig doek en geven 't aan de winden, en bieden 't holle schip de dolle zee: Op Uw gena wij tobben op de baren, op Uw gena laat ons gelukkig varen, door Uw gena wijst ons een veil'ge ree."

Het echtpaar verlaat zich bij de aanvang der reis op de genade des Heeren, maar ook bg de voortgang tot het einde van de reis. Let op de prachtige beeldspraak (Van Lodensteyn zélf is aan 't woord, al spreken de leraar en zijn vrouw): wij ontbinden 't vluchtig doek (wij trekken de zeilen op) en geven 't aan de winden (laat de wind er maar in blazen) en bieden 't holle schip de dolle zee (het drijvende schip wordt aan de rumoerige golven overgegeven.)

Nu begint de vaart, alles verdwijnt achter de horizon. Hoor maar hoe fraai de dichter 't zegt:

„Ziet, daar verdwijnt het vaderland, de bergen, de hoge steden en de torens bergen

zich achter het gordijn van onze kim.

Inwoners, ach! zaagt gij 't, hoe zoudt gij zuchten! Uw sterke steên (o droevig voorspook!) vluchten: Wij zien uw hoogheid, al is maar een schim."

Het is of er een gordijn over de horizon wordt geschoven: de steden met de uitstekende torens verbergen zich achter de kim. En nu ziet de dichter hoe eenmaal al de hoogheid, waar de inwoners zo trots op zijn, ineens zal worden weggenomen; dat het maar een schim is, en we horen de stem van de Prediker er doorheen: alles is ijdelheid.

Nu volgt het derde couplet:

„Vaarwel! tot nog voorspoedig land! wij dragen in onze boezem 't Land dat d' ouden zagen, en daarom lieten huis en vrienden voort:

Die Stad wiens kunstenaar en bouwer God is, en al dat kostelijke daar ons lot is,

wat vragen wij naar 't land van ons geboort'? "

De reizigers roepen hun land een welgemeend vaarwel toe. Ze treuren niet, want zij gevoelen zich vreemdelingen op de aarde. Ze hebben geen blijvende stad. In hun hart (boezem) dragen ze de begeerte naar het Land der rust, waar de vromen van de oude dag reikhalzend naar uit zagen en ook hun huis en maagschap voor konden verlaten. Het is de stad, die fondamenten heeft, wiens kunstenaar en bouwmeester God is. Als de reizigers dé.£rop zien, wat geven ze dan nog om het land hunner geboorte?

Eén van de volgende coupletten luidt:

„Daar is een sterk geroep dat ons 't geloof maakt en voor 't geroep van wat ons lief is doof maakt, een Macedonisch man is 't: Formosaan, of Ambonees, Aroeaan of Chinezen; (zou dit wel d' aanvang van ons Pinkster wezen? ) altoos zijn spraak wij duidelijk verstaan."

Het is (als bij Paulus) of een Macedonisch man roept: „Kom over en help ons." En die spraak verstaan de reizigers duidelijk. Het is het geroep van de inwoners van Formosa, van Ambon, van de Aroeeilanden en de stem der Chinezen is er bij. 't Zou kunnen dat het een nieuwe Pinksterdag wordt; dat verschillende volken komen tot de kennis van Christus. En nu is het geloof sterker dan het geroep van al wat lief en dierbaar is uit het vaderland.

„Nu brandt ons hart en niets zal het bezwalken. Verwondert u niet, stuurman, zo de balken waarop wij drijven, sneller gaan als ooit, want nooit en trok de Noordster zo uw naaide als nu oost-zuidoost-ster (die nooit en daalde) ons hart en schip trekt, en ons reis voltooit."

Holkenborg en zijn vrouw hebben een vurig verlangen, dat niet minderen zal, om naar het oost-zuidoosten te gaan. De poolster (noordster) heeft de kompasnaald nooit zo sterk naar het noorden getrokken, als nu de harten van die twee reizigers en het schip waarop zij varen naar Indië worden getrokken. Daarom moet de stuurman zich niet veiwonderen dat er zo'n vaart in het schip zit (de balken waarvan het schip is gemaakt). Slechts twee coupletten zal ik nog laten volgen met het oog op de plaatsruimte:

„Daar rijzen wij in steilten tot de wolken, alsof Uw hand ons uit de lage volken wou nemen in Uw eeuwig Koninkrijk. Daar dalen wij weer, o vervaarlijk dalen in ongeloof! wil ons Heer wederhalen met Petrus, dat ons ziele niet bezwijk'."

„Daar zien wij niet dan lucht en water, Heere, dat ons de hoogte van Uw goedheid leren zal en d' afgrond van Uw toornigheid: Ach! dat het stadig zien van zee en wolken ons onophoud'lijk die twee diepe kolken bedenken deên en spreken met beleid."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1949

Daniel | 8 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1949

Daniel | 8 Pagina's