JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

5 minuten leestijd

De Bourgondische - Oostenrijkse t\jd.

II.

Zoals wij vorige maal (17 Juni 1949) schreven, was het met de adel de laatste tijden snel bergafwaarts gegaan. In de eerste plaats door de veranderde wijze van oorlog voeren. Het gebruik van vuurwapenen en voetvolk kwam op de voorgrond; de ridderschap werd op de achtergrond geplaatst.

Secundo: hadden de Bourgondische vorsten schuld door het slechte voorbeeld, dat zij gaven.

Een dolzinnige weelde spreidden deze ten toon en eisten van de adel hetzelfde.

Dit moest natuurlijk op verkwisting en armoede uitlopen.

Tertio: ging het met de zedelijkheid hard achteruit. Filips de Goede was op dat punt al een heel slecht voorbeeld.

Karei de Stoute was een eerbaar mens en deed alles om het hofleven zuiver te houden. Maar onder zijn opvolger ging alles weer verloren.

Het Bourg.-Oostenr. hof bleef — en niet ten onrechte — in een reuk van brooddronkenheid en lichtzinnigheid, van verspilling en onzedelijkheid. Sommige vorstinnen, zoals Margaretha van Oostenrijk (zuster van Filips de Schone) Maria van Hongarije (zuster van Karei V), Marg. van Parma, ook Filips II, kan men in dezen niets verwijten.

Vandaar dat de jonge Nederlandse adel niets moest hebben van de deftige afgemetenheid van Filips II. (Prof. Blok.)

Het is te begrijpen, dat die adel niet bepaald geschikt was om een steun der vorsten te zijn. Deze zagen dat spoedig in en zo verloor de adel zijn invloed. Gevolg: een tegenstelling tussen vorst en adel; een pogen om de verloren invloed te herwinnen.

Men denke o.m. aan de dagen van Filips II, de aanbieding van 't smeekschrift; louter een zaakje om er zelf beter van te worden.

Maar daarmee was het arme, geplaagde volk niet gebaat.

Behalve de hoge adel, waartoe mannen als Willem van Oranje, Egmond, Hoorne, enz. behoorde) kan men onderscheiden, de lage adel, ja zelfs nog een derde groep de lagere adel.

De hoge adel zag met minachting neer op de andere.

(III.) Ilamlol en nijverheid.

Deze zijn voor de Nederlanden in de B.O. tijd van grote betekenis geweest.

grote betekenis geweest. Daartoe werkte mee de gunstige ligging: een goedbereikbaar Duits achterland via de Rijn; de Schelde, verbindingsschakel met Vlaanderen en Brabant; de

Maas idem met Brabant, Luik en Luxemburg. Men beveiligde voorts de kusten tegen zeerovers; men hief matige rechten; de vreemdeling werd zoveel

mogelgk beschermd. Wanneer men leest, wat hieral ter markt gebracht werd: producten uit Indië, uit Zuid-Europa, Scandinavië, Rusland, Duitsland, de Levant, eigen producten (wollen stoffen uit Vlaanderen), dan krijgt men een indruk van het handels-en nijverheid beweeg; zodat mén terecht kon spreken van wereldhandel en wereld-

nijverheid. Helaas, was de geestelijke toestand, zoals wij later zullen zien, niet evenredig met deze buitengewone

bloei. Centrum van de handel was aanvankelijk Brugge, door het Zwin verbonden met de Noordzee. Wie in de gelegenheid is, bezoeke eens dat pittoresque stadje, waar alles spreekt van voorbije glorie.

Het krachtig Bourg. bestuur werkte mee om het hoofd te bieden aan de mededingers: Engeland en de

Hanze. Maar er was nog een andere vijand: de verzanding van het Zwin werd catastrophaal. Maximiliaan was de stad zeer vijandig, die hem eenmaal opgesloten had.

Voorts was daar de jaloezie der Vlaamse steden, die meer geïnteresseerd bij nijverheid en landbouw zich van de Brugse handel niets aantrokken zodat Karei de Stoute eenmaal zelfs moest ingrijpen.

Filips de Schone heeft nog getracht de rampspoedige stad te helpen. Maar niets baatte.

Plm. 1500 was het met haar handel gedaan.

Erfgename van haar bloei werd Antwerpen.

Zeker schrijver meldt er van: „Zij overtrof in rijkdom alle steden der wereld. Er werden in een maand meer zaken gedaan dan te Venetië tijdens zijn hoogste bloei. De handelsomzet bedroeg plm. iy2 milliard. Meer dan 1000 vreemde handelshuizen hadden er hun kantoren, zo de Pazzi's van Florence de Doria's van Genua, de Fuggers en de Welsers uit Augsburg, de Rothschilds en Bleichröders. Dagelijks gingen 500 schepen in en uit, soms lagen er 2500 tegelijk op de Schelde, meer dan 2000 vrachtkarren uit Frankrijk en Duitsland kwamen wekelijks de poorten binnen."

Ook de Noordelijke Nederlanden bleven niet achter. Amsterdam was er plm. 1550 de voornaamste handelsstad. Twee maal 's jaars kwam er een vloot van 300 schepen. Dordrecht voerde een uitgebreidde Rijnhandel. Er was verschil tussen de handel in Zuid-en Noord-Nederland. In het Zuiden kocht en verkocht men thuis. Zijn steden werden kantoren der Hanze.

In het N. waren de steden leden der Hanze, die met hun schepen er op uitgingen.

Wij voerden uit, behalve vis (over de visserij later meer), boter en kaas; haalden zout uit Frankrijk en Spanje, en verkochten dit gedeeltelijk voor graan aan de Oosterlingen (de bewoners van de Oostzeelanden.)

Zo ontstond de graanhandel.

Hoofdzetel van de nijverheid in deze tijd was het Zuiden. Hun lakens en fluweel waren beroemd.

Maar ook op dit terrein kon men zich niet staande houden.

De oorzaak was de Engelse mededinging. In de 14e eeuw, tijdens de regering van Eduard III en Hendrik IV kwamen wolindustrie en lakennijverheid in Engeland krachtig op.

De Vlaamse onlusten werkten mee, dat veel wevers en spinners, bovendien nog aangelokt door priviligiën, de Noordzee overstaken.

Voorts legden de Engelsen allerlei belemmeringen in de weg, wat betreft de verschaffing van grondstoffen. Voorheen hadden zij de Vlamingen nodig in hun strijd met Frankrijk. Dat was voorbij. Zelfs Vlaamse graven maakten het hun weerbarstige stedelingen moeilijk. Zo Lodewijk van Male, die ook het platteland vergunning gaf de industrie uit te oefenen.

Steden als Brugge, Yperen, Gent vlogen dan ook achteruit. Het gras groeide tussen de stenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1949

Daniel | 8 Pagina's

Vaderlandse Geschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1949

Daniel | 8 Pagina's