grepen uit de Letterkunde
(IX.)
Een sonnet uit „Uitspanningen."
Het sonnet (klinkdicht) is één van de ontwikkeldste vormen in de dichtkunst. Het is van Italiaanse oorsprong en werd in ons land in het midden van de 16e eeuw veelvuldig gebruikt (Ronsard, Lucas de Heere, Jan van der Noot, Carel van Mander). Heden ten dage wordt deze vorm nog veel gebruikt.
Bij Revius hebben we op enkele eigenschappen van het sonnet gewezen. Revius heeft verscheidene sonnetten geschreven. In „Uitspanningen" van Jodocus van Lodensteyn vinden we er heel weinig. En dat is goed te verklaren. Van Lodensteyn schreef meestal zijn gedichten zö, dat ze op een bekende wijs gezongen konden worden. Nu zijn de strofen van een sonnet verschillend, zodat niet elk couplet bij een zelfde zangwijs past. Ik heb nog nooit een compositie op een sonnet gezien, 't Is ook heel niet nodig. Sonnetten zijn niet om te zingen. Er zit klank en gang genoeg in als men ze leest.
Een heel bekend sonnet in „Uitspanningen" is: Jezus verlaten.
„'k Zag in uw hoogste noocl geen meelij uwer baten, 'k Zag op een vuile vlucht uw jong'ren altemaal, en hoorde Petrus' vloek bij Kajafas' portaal en wist wel dat gij waart van iedereen verlaten."
Dit gedicht werd geschreven de 24e Maart 1652, dus in de tijd van de lijdensweken. We kunnen 't ons indenken, dat vooral in deze tijd de gedachten van dominee Van Lodensteyn veel bezig waren met het borglijden van Christus.
De dichter ziet voor zijn ogen Jezus alleen overgebleven. 't Is hoge nood geworden. Judas' plan is gelukt. De discipelen, die hun leven voor hun Meester zouden zetten, zijn nergens meer te zien. Ja, één is er, die het hoogste woord had gevoerd en met het zwaard had geslagen, die nu toch tonen moet, dat de liefde tot Jezus sterker is dan de dood. Maar... en hoorde Petrus' vloek bij Kajafas' portaal." Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. Nu is Jezus van iedereen verlaten. Hij moet de pers alleen treden; niemand is bij Hem.
Toch wordt het nog erger. De martelaren zijn oo~k zo verlaten geweest van iedereen, maar de Heere omscheen ze met Zijn licht. Ze zagen de hemelen geopend. Bij Jezus is 't anders. Hoor maar:
„Maar nog en wist ik niet, o lijden boven maten, dat gij verlaten waart van God in 's hemels zaal, en van zijn liefde mocht genieten vonk noch straal, ten waar' uw eigen mond die klacht had uitgelaten."
Wat heeft dat het lijden van Christus vergroot: de Zoon verlaten van de Vader! De dichter zegt: Ik wist het niet, dat Jezus geen vonk of straaltje van 's Vaders liefde mocht ontvangen, maar Hij heeft het Zelf uitgeklaagd: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ?
Als dit alles goed tot de dichter is doorgedrongen, gaat hij verder met deze verzen:
„O! Gods verlaten Zoon! die mij, veriater Gods, met God weer hebt vereend, geef mij mijn rust, [mijn rots,
geef mij, om Uwentwil, mijn liefste lust te laten."
Van Lodensteyn wordt er bij bepaald, dat hij een veriater van God is en dat door de verlating, die Christus moest doormaken, hij weer met God is verzoend (vereend). Nu vraagt hij om te mogen rusten door het geloof op de Rots der eeuwen, en om kracht om de zonde te laten (mijn liefste lust: troetelzonden.) Maar dat gaat niet gemakkelijk. Luister:
„Ach, liefste lust mijns vlees, wat vleit en smeekt [gij mij,
wat bédelt g'om een uur mij nog te blijven bij?
Weg! ijdle lieve lust! 'k moet lief om liever haten."
Wat is het een zwaar werk om de „oude mens" ten onder te houden! De begeerlijkheden des vleses vleien en smeken. Ze bédelen om verzadiging, al is 't maar voor één uur. Wat is de strijd zwaar. De onzalige bron welt telkens zonde op. En toch... manmoedig roept de dichter uit: Weg, lieve lusten; henen uit! Ik mag niet zondigen. Ik moet de zonden hoe langer hoe meer haten en vlieden en lust en liefde hebben om naar de wil Gods in alle goede werken te leven. Mijn liefste zonden moet ik haten om Hem, Die mij eerst heeft lief gehad: 'k moet lief om liever haten!
Lees nu het hele sonnet nog eens bedaard over. Hoe duidelijk spreekt het ons nu aan. Let, afgezien van de inhoud, ook eens op de rijmwoorden: in de eerste acht regels (het octaaf) portaal, verlaten; maten, zaal,
straal, gelaten.) In de volgende zes regels (het sextet) zijn drie rijmwoorden (Gods, rots, laten; mij, bij, haten).
Wanneer we nu ook het rhythme nog aanvoelen dan nemerken we hoe schoon het geheel is en dat we geen behoefte hebben aan een melodie.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1949
Daniel | 8 Pagina's