DORDTSE LEERREGELS
VIII. (Slotartikel.)
Over de leer der verbonden ontlenen we aan de Saambinder, 10e Jaargang nr 10, 2e Verbeterd Bericht, het volgende:
1. Dat er geen wezenlijk onderscheid te stellen is tussen het verbond der verlossing en het verbond der genade;
2. Dat de Heilige Schrift slechts twee verbonden kent en niet drie; nl. het verbond der werken en het verbond der genade;
3. Dat Christus is de Tweede Adam van wien de eerste Adam, als hoofd van het werkverbond een voorbeeld was (Rom. 5 : 14) en dat Rom. 5 : 12—19 zeer duidelijk handelt van de twee verbonds-hoofden;
4. Dat wel het genadeverbond van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus is opgericht, maar de openbaring in de tijd eerst volgt op de verbreking van het werkverbond. (Door deze openbaring is te verstaan de dadelijke oprichting van het verbond met de uitverkorenen, die in de tijd der minne in het verbond worden ingelijfd);
5. Dat wel het genade-verbond een uitwendige openbaringsvorm heeft, die wisselt onder Ouden Nieuw Verbond, en velen omvat, die verworpen zijn, maar dat alleen de uitverkorenen in het verbond der genade wezenlijk begrepen zijn;
6. Dat de verantwoordelijkheid van de mens wortelt in de schepping, krachtens welke schepping God van de mens Zijn beeld terug vordert. Die verantwoordelijkheid wordt te groter door de bemoeienissen, die God met de mens maakt, gelijk duidelijk blijkt o.a. uit Jes. 5, Luk. 10 : 13—15.
Geheel aemsluitend in deze 6 punten is hetgeen in de Saambinder van 11 Juli 1935 werd geschreven over het Verbond der Genade.
5. In de bediening van dit verbond biedt God het leven en de zaligheid door Jezus Christus om niet aan zondaars aan, eisende van hen geloof in Hem, opdat zij behouden mogen worden. Ofschoon Christus, in dit verbond slechts een bepaald aantal uit de mensheid vertegenwoordigde, die in Hem uitverkoren waren voor de grondlegging der wereld, toch wordt in de bediening van het verbond, de vrije aanbieding van genade door Jezus Christus gericht tot zondaars uit het mensen geslacht, zonder beperking en algemeen, Joh. 6 : 32, Jes. 55 ; 1, Openb. 22 : 17. Deze aanbieding is niet beperkt tot bewuste zondaren, (zoals de Baxterianen beweren) of tot zulken, die overtuigd zijn van hun zonden en hun behoefte aan hun Verlosser want zij wordt gericht aan personen, die in een algehele ongevoeligheid over hun eigen ellenden en noden weggezonken zijn, Openbaringen 3 : 17 en 18. Deze aanbieding wordt even welgemeend gericht tot dezulken, die haar tenslotte verwerpen, als tot dezulken, die haar tenslotte aannemen; want, als dit niet het geval was, kon de eerste soort van Evangeliehoorders niet om hun ongeloof geoordeeld worden, Joh. 3 : 18 en 19. Dat God van zondaars het geloof in Christus eist, opdat zij behouden mogen worden kan niet worden tegengesproken. Het aandeel toegeschreven aan het geloof, is echter veel bestreden. Vele uitnemende Godgeleerden kwamen er toe (als gevolg van de onderscheiding die zij maakten tussen het verbond der verlossing en het verbond der genade) om te spreken over het geloof als een voorwaarde van het laatste verbond. Maar de term zoals die door hen gebruikt wordt, betekent niet een verdienende of verwervende oorzaak, maar eenvoudig iets dat vooraf gaat en zonder hetwelk het ander niet verkregen kan worden. Zij beschouwen het geloof eenvoudig als een voorwaarde van orde of verbinding, zoals het genoemd werd, en als een instrument of middel om deel te krijgen aan de zaligheid, aangeboden in het Evangelie. Deze beschouwing verschilt grotenlijks van de betekenis, die door Arminianen en Neonomianen aan de term gehecht worden, welke het geloof voorstellen als een voorwaarde van welker aanvulling de belofte afhangt. De Westminsterse Synode stelt op een andere plaats (Vi\ 32 van de catechismus) dat God van zondaren het geloof in Christus eist, als een voorwaarde om hen in Hem deel te doen hebben. Maar dit is heel wat anders dan te stellen dat geloof de voorwaarde is van het verbond der genade. Dat geloof onmisbaar nodig is als het middel waardoor wij zaligmakend deel aan Christus krijgen, en onpersoonlijk worden ingelijfd in het verbond, is een meest belangrijke waarheid, en dit is alles, dat door de Westminsterse godgeleerden bedoeld wordt. Zij schijnen de term „voorwaarde" als synoniem gebruikt te hebben met „instrument", want, terwijl zij op de ene plaats spraken van het geloof als de voorwaarde om zondaars deel te doen krijgen aan de Middelaar, stellen ze op andere plaatsen, dat het geloof het enige instrument van de rechtvaardiging is, (Westm. Bel. Hfdst. 11, Afd. 2) en leren ze, dat het geloof een zondaar voor
God rechtvaardigt, alleen zoals het een instrument is, waardoor hij Christus en Zijne gerechtigheid ontvangt en toeeigent, (vr. 73 van de catechismus). Daar het woord voorwaarde dubbelzinnig is, lichtelijk misverstaan, en dikwijls gebruikt wordt in een ongezonde en gevaarlijke zin, wordt het nu door de Evangelische godgeleerden niet meer gebruikt.
6. Dat God Zijn Heiligen Geest belooft, om in Zijn uitverkorenen dat geloof te werken, waardoor zij bijzonderlijk aandeel krijgen in zegeningen van dit verbond. Dit sluit in, dat een zeker bepaald getal was verordineerd ten eeuwigen leven en dat deze allen ter bestemder tijd zullen worden gebracht tot het geloof in Christus, Hand. 13 : 48.
Over het genadeverbond lezen we voorts overduidelijk in de Korte Lessen over Kort Begrip door Ds Kersten, ("Uitgavei Banier 1948):
Het genadeverbond is een wezenlijk verbond, gesloten tussen twee partijen. Die partijen kunnen niet de Vader zijn en de Zoon als de Eerste en Tweede Persoon in het Goddelyk Wezen. In het Wezen Gods zijn geen partijen. De partijen des Verbonds zijn God de Vader, handelend voor de drie Goddelijke Personen, en Christus, als Hoofd der uitverkorenen. Hiermede is ook de vraag beantwoord, of de Heilige Geest deel had in de verbondsluiting. Ja, dewijl de Zoon en ook de Heilige Geest in de Persoon des Vaders handelden. Naar het Huishoudelijk werk der Goddelijke Personen handhaafde de Vader de geschonden gerechtigheid en vorderde Hij van Christus, Die de uitverkorenen representeerde, volkomen voldoening en Hij beloofde Hem de heidenen tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijn bezitting. Christus heeft op zich genomen al de voorwaarden van het verbond te vervullen, dewijl de uitverkorenen niet in staat waren één enkele dier voorwaarden te voldoen. En op grond van die heilige verbondssluiting zijn de uitverkorenen Christus gegeven tot Zjjjn eigendom, gelijk de Heere Jezus zegt: Vader zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven, " Joh. 17 : 6. Het genadeverbond is van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus gesloten. Deze verbondsluiting in Gods eeuwigen Raad wordt wel genoemd de Raad des Vredes of het Verbond der Verlossing of het Genade-Verbond van eeuwigheid. In de tijd wordt dit verbond voltrokken. Van stonde aan na de val nam God Adam en Eva in dit .verbond op en voorts richt Hij met al Zijn uitverkorenen het verbond op, als Hij in de tijd Zijns welbehagens hen uit het verbroken werkverbond, waarin zij krachtens hun val in Adam der verdoemenis zijn onderworpen, uitneemt en in het genadeverbond in Christus inlijft en de zaligheid deelachtig maakt. Het genadeverbond is dan ook niet, zoals Heyns en velen in deze dagen leren, in aard en wezen onderscheiden van het verbond der verlossing; er zijn niet drie, doch slechts twee verbonden in betrekking des mensen eeuwige staat. Van dit genadeverbond is Christus het Hoofd, representerend daarin al Zijn uitverkorenen en die alleen, gelijk al onze Gereformeerde godgeleerden steeds getuigd hebben. Zij, die Christus als Hoofd van het genade-verbond verloochenen, bannen onze kostelijke oude schrijvers uit het huis en kerk. Zij hebben voor hun nieuwe leer dan vrij baan gemaakt. De Heere beware ons, opdat wij tot zulk een verbondsontzenuwende leer nimmer overhellen. Aan dit éne genadeverbond heeft de Heere echter verschillende openbaringsvormen gegeven:
de particuliere vorm (Adam tot Abraham);
de patriarchale vorm (Abraham tot Mozes);
de nationale vorm (Mozes tot Christus);
de kerkelijke vorm (onder het Nieuwe Testament).
Velen die niet wezenlijk tot het genade-verbond behoren, staan nochtans in een uiterlijke betrekking tot het verbond. Het was niet al Israël, wat in Israël was.
Het zijn nipt allen ware bondgenoten, die gedoopt zijn en belijdenis afleggen. Toch leven zij bmnen de grenzen van de openbaringsvormen des verbonds.
Wij besluiten de reeks artikelen in de hoop diegenen te hebben bevredigd, die naar aanleiding van ons artikel „Het Gebruik der genademiddelen" (..Daniël" nr 22, 3e Jaargang) opheldering vroegen over bepaalde leerstukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1949
Daniel | 8 Pagina's