JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

sprekende

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

sprekende

nadat hij gestorven is

5 minuten leestijd

Luther aan 't woord in zijn lievelingspsalm (118.)

Vers 17 van dit lied: „Ik zal niet sterven, maar leven" enz. raakt en kent de nood, waaruit Gods hand de heiligen helpt, namelijk de dood. Zij voelen inderdaad de dood als zij in doodsgevaar komen; en het is voor het vlees geen zoet drankje, als de dood zich vlak voor hen plaatst. Zó verschijnt de dood niet: hij komt óók met de wet en de zonde. Daaruit ziet men wel, dat de heiligen martelaren moeten zijn, want zij moeten in doodsgevaar verkeren en met de dood strijden en worstelen. En als tirannen en goddelozen, hun vuur, zwaard, kerker en dusdanige vervolgingen daar geen schuld aan hebben, dan laat de duivel-zelf zich niet onbetuigd. Hij kan het Woord Gods niet uitstaan, noch hen, die zich eraan houden en het leren. Hij martelt hen èn in het leven èn bij het sterven. Tijdens het leven doet hij het door hevige aanvechtingen tegen het geloof, de hoop en de liefde van God; dat kan een hart zó benauwen en bestormen met verschrikking, twijfel en vrees, dat een mens God schuwt, zijn vijand wordt en Hem lastert, zodat, voor zijn ellendig besef, God, duivel, dood, zonde, hel en alle creaturen niets dan een ding zijn en iedereen zijn eeuwige vijand geworden is. Geen Turk noch keizer kan ooit een stad met zulk geweld bestormen, als de duivel een geweten belagen, kan.

Bij het sterven of aan het doodsbed kan hij het ook, als God hem gelegenheid laat. Daar is hij in zijn kracht, om de zonden op te blazen en Gods toorn aan te zeggen. Hij is een wonderlijke en machtige geest, die wegens een geringe zonde zulk een angst verwekken en met zulk een hel dreigen kan. Want het is gewisselijk waar, dat niemand altijd oog heeft voor zijn echte hoofdzonden, als daar zijn: ongeloof, verachting van God, dat men Hem niet vreest, vertrouwt en liefheeft, zoals het wel moest en dergelijke zonden van het hart, w r ijl de eigenlijke moeilijkheden van binnen zitten. Het zou ook niet goed zijn, dat een mens ze zien zou. Want ik weet niet, of er wel ergens ter wereld een gelovige is, die daartegen ware opgewassen. niet omkomen en vertwijfelen zou. Daarom laat God de duivel de beschikking over de zonden van de daad; en daarmee brengt hij u spoedig genoeg in dc hel en de wanhoop, als hij u voorhoudt, dat gij, bijvoorbeeld, een beetje te veel gedronken of te lang geslapen hebt, zodat ge door nauwgezetheid van geweten ziek wordt en van ellende wel zoudt willen sterven.

En, wat nog erger is, hij zal uw beste werken onderhanden nemen en ze u zo smadelijk vernietigend en veroordelend door uw geweten laten toetsen, dat al uw zonden u niet zoveel vrees aanjagen, als thans uw beste werken doen, die toch inderdaad heel goed zijn; maar nu is het u te moede, alsof gij louter grote zonden in stede van zulke werken gedaan hadt.. En hij heeft hier geen andere bedoeling mee, dan dat ook gij ze zoudt verloochenen en zeggen, dat ze niet door God gedaan zijn, en zodoende tot godslastering komen. De dood is dan niet ver en de hel dichtbij.

Wie kan al zijn streken opsommen, hoe hij zonde, dood en hel weet uit te buiten? Het is zijn handwerk, hij is er al vijfduizend jaar mee bezig en is een uitstekend vakman. En al die tijd is hij ook een vorst des doods geweest. Hij heeft het dikwijls genoeg geprobeerd en weet oppexbest, hoe hij een arme ziel een voorproefje van de dood kan doen smaken. De profeten (inzonderheid de lieve David) weten daarvan mee te praten, want zij klagen, onderwijzen en spreken, net alsof zij erbij geweest zijn, hebbende het nü over de poorten des doods, dan over de hel en straks over de toorn Gods.

Het zij zo; het kome dan maar, wanneer en zoals het komt. In elk geval is het ons duidelijk, dat de heiligen met de duivel te vechten en met de dood te worstelen hebben. De vervolger werkt met oorlog, pest en andere ziekten en brengt het leven in gevaar. Om te overwinnen, is het in zo'n strijd maar het allerbeste, het liedje der heiligen te leren zingen, dit is: zichzelf te verloochenen en zich vast te klemmen aan Gods rechterhand. Dan loopt de duivel er lelijk in, want dan krijgt hij lege halmen te dorsen. Ik bedoel dit. Zeg: ik wil niets zijn, al mijn sterkte is van de Heere, zoals hierboven is uiteengezet. Spreek ik zó, dan ben ik gans ontledigd van mij-zelf en van alles, wat ik bezit en kan zeggen: wat wilt gij toch, duivel? Wilt gij bij God mijn goede werken en mijn heiligheid verdacht maken, dan vindt gij bij mij niets. Mijn stérkte is niet mijn sterkte. De Heere is mijn sterkte. Mijn lieve, zoek eens, waar niets is of tel maar eens geld uit een ledige buidel. Wilt gij mij echter verklagen vanwege mijn zonden, welnu, die hèb ik toch niet. De sterkte des Heeren, die moogt gij mijnentwege aanklagen. tot gij het moe zijt. Ik weet van zonden noch heiligheid. Ik weet van niets, niets anders dan van Gods kracht in mij.

(Uit: Dr Maarten Luther, Psalm 118 vert. C. J. I. Sluyk.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1949

Daniel | 8 Pagina's

sprekende

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1949

Daniel | 8 Pagina's