Een ding begeren
Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken. (Psalm 27 : 4a.)
Dezer dagen las ik in een blaadje, dat wekelijks verschijnt, de uitdrukking: dat de uitverkorenen begeren in de wegen des Heeren te wandelen. Ik heb toen eerlijk mijn beide ogen eens uitgewreven en nog eens en nog eens die zin een keer overgelezen. Ja, het stond er toch werkelijk. Toen dacht ik: Sinds wanneer wordt deze leer, als gereformeerd beleden? Ik wil een simpele vraag doen. Begeren de uitverkorenen in die wegen te wandelen wanneer ze nog midden in de wereld leven? Gaat het wandelen in de wegen des Heeren, en de begeerte daartoe uit van die uitverkorenen? Laten we nu toch niet het pad der Remonstranten gaan bewandelen, want dan zijn we helemaal weg. Wonderlijke dingen kan men zoal beleven. David begeert één ding van de HEERE, hetwelk hij daarna nader omschrijft, nl. om te wonen in het huis des 'HEEREN al de dagen zijns levens, doch dat wil ik nu eens laten liggen, en mij uitsluitend bepalen bij de begeerte.
Niemand, maar dan ook niemand, begeert van nature te wandelen in de wegen des Heeren, en zelfs na ontvangen genade, heeft Gods volk dadelijke genade van node om te gaan de weg welke de Heere ze voorstelt. Ik denk hierbij aan Jona. Hij wist toch dat hij naar Ninevé moest. En wilde hij ? Hij vluchtte weg van het aangezicht des Heeren naar Tarsis, en dat was toch een uitverkorene, hetgeen openbaar was gekomen. Met kracht moest de Heere hem brengen op de weg, welke hij moest gaan. Waarom komt er in het hart van die verkorenen die éne begeerte?
O, wonder van genade en souverein welbehagen, omdat God begeerte naar Zijn uitverkorenen heeft van alle eeuwigheid. In God is die begeerte naar Zijn volk om ze de zaligheid te geven die Hij bereid heeft in Christus en die begeerte wordt vervuld als de Heere ze te sterk wordt in het uur der minne.
De vanzelfsprekende vrucht daarvan is, dat er in de ziele een begeerte naar God bestaat. Wij hebben Hem lief zegt Johannes, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad. Zeker, in die vernieuwing wordt de wil vernieuwd, en naar de hebbelijkheid wil die ziel wat God wil, maar dan moet een weg bewandeld worden welke geheel tegen onze natuur ingaat en waartoe dadelijke genade nodig is. Hoe zal een vijand van God van nature ooit willen gaan de weg welke de Heere voorstelt? Wijk van ons, want aan de kennis van Uwe wegen hebben wij geen lust. Zo is het en niemand vraagt naar God, noch naar Zijne wegen. Dat éne ding, zeker het leeft in het or de Heere vernieuwde hart, maar wat een strijd n worsteling is daaraan verbonden. Wat een kruisiging van eigen vlees en zin en begeerte. Het goede dat ik wil, doe ik niet. Wat een struikeling en verzet leert Gods lieve volk kennen in die leidingen. Eeuwig gelukkig dat er Eén geweest is, die volkomen begeerte had om in de weg te gaan welke Hem voorgesteld en opgedragen werd. Hij antwoordde: Ik heb lust, o Mijn God om Uw welbehagen te doen.
Die grote Zoon van David naar het vlees, kon dat alleen zeggen, en heeft het niet betracht, maar gedaan, en uit de dierbare geloofsvereniging met Hem, en de dadelijke bediening uit Hem leert Gods volk Hem volgen in de weg welke ze te gaan hebben. Hoe nodig is toch ontdekkende genade vooral in deze dagen waarin we zozeer vervluchtigen van de rechte wegen des Heeren. Wat een oppervlakkigheid en een zich verliezen in alle mogelijke beschouwingen. O neen, die ontdekking schuwen we, want dan blijft er geen eer voor het schepsel over en komt alle ere aan de volzalige God, zoals Hem die dan ook rechtens toer komt, en door Gods ware volk ook zal worden gebracht tot in eeuwigheid.
Voor de bekering begeert dus ook een uitverkorene niet te wandelen in de weg des Heeren, en na ontvangen genade hebben ze dadelijke genade nodig daartoe. Dat we verwaardigd mochten worden met David dat wondere geheim te leren kennen, want hij wilde in die
begeerte Christus nabij leven, dewijl hij daarin alles vond wat tot Gods heerlijkheid en zijner ziele zaligheid diende. Mijn lezer, denkt niet dat wij ooit God begeren, hoewel we verplicht zijn God te begeren. Volmaakt vraagt de Heere alles van ons, doch we kunnen Hem niets meer geven. O dat die eis Gods ons op het hart gebonden werd, want we begeren van nature alles, behalve de Heere, en wat moet Gods volk zich beschuldigen dat ze zoveel de dingen van beneden begeren mochten om met de apostel te zeggen: Dat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding. Daartoe verlevendigt Hij ons door Zijn dierbare Geest. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1949
Daniel | 8 Pagina's