Grepen uit de Letterkunde
(8.) Morgenzang (J. van Lodeiisteyn).
Het is niet gemakkelijk om een keus te doen uit de „Uitspanningen, " een bundel liederen, die 464 bladzijden beslaan.
Eigenaardig is dat de predikant-dichter in vele gedichten over de zon en dc morgenstond zingt. In het nu volgende gedicht gaat het speciaal over dc morgen. Hoor slechts:
„Alverkwikkend morgenlicht, al de damp van gist'ren zwicht voor uw helder zondoorbreken: Ziet die schone bruidegom uit de kim het hoofd opsteken; al 't gediert' roept wcllekom."
Als we dit begincouplct lezen, moeten we bekennen dat het een gedicht schijnt dat pas vandaag is geschreven, zo fris en zo eenvoudig, zo terstond aansprekend. En toch... het werd geschreven in de 17e eeuw, bijna driehonderd jaren geleden.
Dc zon, de bruidegom (zie Ps. 19), komt op. Het hoofd komt boven dc kim uit en de stralen gaan schitterend de aarde beschijnen. De morgennevel wordt opgelost: de damp moet zwichten voor de heldere glans. De dieren zijn ontwaakt. De vogels zingen hun schoonste liederen; honden blaffen; koeien loeien, nog staande in de mist boven de weilanden. Al de dieren zijn verblijd dat de nieuwe dag is gekomen.
„Heilig Heer! zij ons gedacht, woord en daad U toegebracht; wij zijn toch alleen U eigen, dus wat Gij voor ons bereid en gegeven hebt, wij neigen 't al weer voor Uw Majesteit."
Nu is een bede gevolgd. Heere, zegt de dichter, laten nu onze gedachten, woorden en werken uitgaan tot U, want wij zijn Uw eigendom. Wij zijn slechts schepselen uit Uw hand voortgekomen. Voor ons doet Gij de zon opgaan en een nieuwe dag aanbreken; dat schenkt Gij (voor ons bereid en gegeven hebt) aan Uw maaksel, want als Gij Uw hand onttrok dan waren we niet meer. Daarom past het, dat wij alles wat we ontvangen hebben, weer tot U brengen (neigen voor Uw Majesteit). Laat ons dan in gedachten, woorden en werken betonen schepselen van U te zijn.
schepselen van U te zijn. Als we nu dit couplet lezen, dan zullen we zeker dc bedoeling van de dichter begrijpen. Nu volgt:
„'t Heilig aanschijn onbedekt ons een morgenrood verstrekt: Laat dan 't licht van Uwe stralen op ons üuist're zielen neer (als die Morgenzonne) dalen dat wij u maar kennen Heer."
Uw heilig Aangezicht kan onze hoop doen herleven. Het verstrekt ons als een morgenrood (de komst van het licht) in de natuur. Laat, omdat we dat zo hard nodig hebben om U te loven en te prijzen, Uw stralen onze duistere zielen beschijnen. Komt tot ons als dc Zon der Gerechtigheid, opdat we u leren kennen . Wat er plaats vindt in de natuur, brengt Van Lo-
densteyn geestelijk over. En dan... dan is er geen houden meer aan. Dan schijnt de dichter schier geen woorden meer tc kunnen vinden. Luister maar:
„Toon ons maar Uw aangezicht, als wij zien dit Zonnelicht: O die goedheid! o die klaarheid! O die wijsheid eindeloos'. Heilig, heiligende waarheid! Zee van goedheid grondeloos!"
Let niet alleen op dc inhoud van dit gedeelte, maar hoor ook dc prachtige klank van deze verzen. Merkt ge, dat de dichter zich verliezen gaat, als hij de deugden van God een weinig mag inzien; dat hij dan in de eeuwigheid terecht komt (grondeloos) ? Er is geen begin en geen einde. Het gaat ons verstand te boven. Hier gaan de woorden ophouden. Het wordt een stil bewonderen en een wegzinken in verwondering. Daarom móét wel dit slotcouplet volgen:
„Laat ons daar in zinken stil, en verliezen wens en wil, en de wereld al haar luister kwijtgaan: als het Zonnezien door zijn licht ons ogen duister maakt, en al het schoon doet vliên."
Wanneer de dichter gekomen is tot de grondeloze goedheid Gods, dan wenst hij daar te blijven (zinken stil), maar dan zullen ook de eigen wensen en willen wegvallen. Dan blijft geen menselijke wil meer over, „Ik leg de hand op de mond." „De Heere doe wat goed is in Zijn ogen." Dan zinkt ook de wereld in het niet (weg wereld, weg schatten), want de Zon der Gerechtigheid zal de ogen verhlinden, zodat al het schijnschoon wegtrekt bij de luister van 's Heeren Majesteit. (Dit lied kan gezongen worden op een Franse melodie, die wellicht nu niet meer bekend is. D. J. Brienne heeft enkele coupletten getoonzet voor gemengd koor. Uitg. „Muzikale bladen, " Groningen.)
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1949
Daniel | 8 Pagina's