DORDTSE LEERREGELS
VII.
Als voortzetting van deze reeks artikelen letten we op wat
Appelius zegt in: De aanmerkingen over het recht van de Evangeliën, Uitgever: de Wed. L. Spand aw. blz. 128.
Nochtans wordt deze belofte niet in het afgetrokkene en onzekere hier voorgesteld, maar hier wordt ook uitgebeeld het dadelijke aandeel, dat de gemeente, en ieder kind dat gedoopt wordt, voor zijn hoofd mede aan de gedane beloften, aangaande het zaad der gemeente, heeft. Schoon het kind de beloofde zaken nog niet in bezit heeft, noch geniet, en schoon de meeste kinderen dezelve door hunne en hunne ouderen schuld ook nimmermeer genieten; echter komt èn de gemeente, èn de gedoopte kinderen, een ieder in het bijzonder, én hen allen in het gemeen, de belofte toe, dat is, Jezus' dood en opstanding, met alle derzelve vruchten hen wordt aangeboden. Schoon zij van natuur kinderen des toorns zijn; hebben nochtans de gemeente en de kinderen, tot jaren van onderscheid gekomen zijnde recht vrijheid en verplichting, om van die belofte een rechtmatig gebruik te maken, en een ieder kind, dat tot zijn jaren gekomen zijnde, de belofte gelovig omhelst, kan verzekerd zijn, dat het de beloofde zaken zelf dadelijk deelachtig is, en eeuwig genieten zal. Deze zaak wordt, Gode zij dank! met zulke klare woorden in de Heilige Schrift voorgesteld, dat men geen klaardere bedenken kan. Gen. 17 : 71, Markus 10 : 14 en Hand. 2 : 39.
Par. 72. Op gemelde geestelijke dingen heeft de kinderdoop de betrekking van een teken en een zegel. Dezelve is een teken op die wijze, welke wij boven van de sacramenten in het gemeen vermeld hebben. De
kinderdoop is ook een zegel. Een zegel van onderscheiding. Een merkteken, dat God op de kinderen laat zetten, dat zij Hem toekomen en Zijn wettig verzegeld goed zijn, dat hij voor zich zorgvuldig bewaard wil hebben. Een zegel van bevestiging, waardoor God het aandeel aan de belofte bovenbeschreven bekrachtigd. Het is zulk een teken en zegel, eerst voor de gemeente en elk ouder in het bijzonder, aan welke God een belofte aangaande hun zaad, gedaan heeft. Want de besnijdenis aan de kinderen, welke in Abrahams huis waren, toegediend, was voor Abraham een zegel, dat de Heere een God voor zijn zaad wilde zijn. Gen. 17 : 7—13. Daarna is de kinderdoop een teken en een zegel voor ieder gedoopte in het bijzonder, waarvan Hij tot meerdere jaren gekomen zijnde een verstandig gebruik dient tc maken.
Par. 73. Het einde van de kinderdoop is in het gemeen hetzelfde, dat wij boven, aangaande de sacramenten in het gemeen, hebben aangewezen. In het bijzonder bedoelt God door de doop der kinderen, zijn bijzonder recht op dezelve, openlijk te tonen en te bekrachtigen. Daarna wil hij daardoor de gemeente en de kinderen tot gelovige werkzaamheden opwekken, en daarin versterken en bestieren. Hij wil daarin duidelijker tonen en uitdrukkelijker bekrachtigen, dat de gemeente met al haar toorn-kinderen maar ootmoedig en vrijmoedig echter met een betamelijke onderwerping mogen naderen cn voor hen gebruik van de beloften maken; en dat de gedoopte kinderen de gedane beloften voor zichzelf maar vrijmoedig gebruiken mogen. Hierom heeft de Voorzienigheid het bestiert, dat de naam van het kind bij de doop plechtig genoemd wordt, opdat die persoon die deze naam draagt, zou denken, dat de beloften hem in het bijzonder mede toekomen, en opdat hij gelegenheid zou hebben om, zo menigmaal zijn naam genoemd of geschreven wordt, aan de verklaring, bij welke hem die naam plechtig gegeven is te gedenken, en daardoor is de doop eindelijk ingericht om de gedoopte kinderen aan de Heere en Zijn gemeente nader te verbinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1949
Daniel | 8 Pagina's