„Bepoef de Geesten"
Is zulks ooit nodig, dan wel in onze dagen van zeer diep verval. Wat durft men toch veel zeggen en te schrijven. Hoe nodig is het, om de enige toets, namelijk Gods Woord te gebruiken, om daaraan alles te toetsen. Hoe nodig ook voor onze jonge mensen, daarin ijverig bezig te zgn.
Het tuighuis van Gods Woord is vol van wapenen, maar het is nodig om die wapenen te kennen en die door Gods Geest geleid, recht te gebruiken.
Zeer werd ik getroffen door het lezen, wat in Utrecht, enige tijd geleden op een vergadering van predikanten der Ned. Herv. Kerk behandeld werd. Aldaar werd een referaat gehouden door Ds P. Smits van Enschede over „Nieuw Belijden."
Volgens hem is de Christologie van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus een onvoldoende en onvolledige vertolking van de Nieuw Testamentische Christusverkondiging. En verder zegt hij: Onze kerk drukt haar Christus belijden uit in een taal, die veelzins een onverstaanbare geworden is: dus volgens hierboven genoemde leraar, moet alles rens op de helling. Toen ik dat las, dacht ik aan een uitdrukking van een andere leraar, die zeide: „Hoe zonden wij het aan durven, die leven onder een mindere bedeling van Gods Geest, het werk te gaan veranderen van hen, die geleefd hebben onder zulk een rijke en meerdere bedeling van Gods Geest."
Als U de geschiedenis der kerk nagaat, dan zijn de dwalingen meest niet gekomen van de eenvoudigen, die buigen voor Gods Woord, maar wel van de geleerden. Hoe durft men het aan, om zo te spreken over de erve der vaderen, zoals Ds Smits dat doet. Zij, die door Gods Geest geleid werden, vinden in die beide hulpbronnen een middel, om de inhoud van de hoofdbron, namelijk Gods Woord, des te beter te verstaan. Wordt niet onze geloofsbelijdenis terecht genoemd: „De staf des geloofs" en onze kostelijke Catechismus de ringmuur rondom Gods Kerk. En zij, die door Gods Geest geleerd worden, voor hen is het geen onverstaanbare taal, als daar gevraagd wordt: „Wat is Uw enige troost, beide in leven en sterven? " Zij stemmen zo hartelijk in met het afdoende antwoord: „Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft en alzo bewaart, dat zonder de wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Dat wordt een echt Nieuw belijden als vrucht van hartvernieuwende genade, en al komen zij dan uit verre landen, daarin smelt hun harten dra ineen.
Daarom, mijn vrienden onderzoek de Schriften, en ook onze belijdenis, onder biddend opzien, dat God U door Zijn Geest daarop wilde bewaren en funderen. Neen, niet staan naar nieuwigheden als vrucht van ons verdorven verstand, maar dat het Uw bede moge zijn: „Heere, maak in Uw Woord mijn gang en treden vast."
Ds A. VERHAGEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1949
Daniel | 8 Pagina's