ALEXANDER COMRIE
(5.)
Comrie werd dus 1 Mei 1735 bevestigd als herder en leraar van de gemeente van Woubrugge. Van 1716 tot 1726 had de gemeente Woubrugge een bloeitijd doorleefd. Die tijd had daar een predikant gestaan, wiens arbeid door de Heere rijk gezegend was geworden. Helaas, is het niet zo gebleven, want toen Comrie daar als dienaar werd geroepen, was de toestand geheel anders geworden. De twisten, die ons gehele vaderland beroerden, waren ook tot in Woubrugge doorgedrongen. Er was dus veel tact nodig om onder deze omstandigheden leiding te geven. Gelukkig ontbrak het Comrie niet aan wijsheid en tact.
Steeds meer begon het Antinomianisme veld te winnen, terwijl ook het Neonomianisme hier en daar insloop. Direct stelde Comrie zich ten doel deze beide richtingen te bestrijden en richtte daarom scherp zijn pijlen tegen de Wetsbestrijders, maar anderzijds ook tegen de leraars van een nieuwe Wet. Doch hij deed dit altijd met voorzichtigheid, daarbij trachtende de uitgegane Calvinisten weer b\j elkander te brengen.
„Wat moet bij de prediking de eerste plaats innemen: het doen horen van de donder der Wet of het uitroepen van de vrije genade? "
Op deze vraag antwoordt Comrie met beslistheid: „Het laatste!" Hij zegt: „Ik heb in het beloop van mijn leven en ook van mijn bediening ondervonden, dat het prediken van de vrije genade, van de heerlijkheid van de persoon des Middelaars, van het aanbod van zaligheid, van de gewilligheid van Chrislus om te zaligen en van de voorrechten van dezulken, die in Hem zijn, het meest teweeg brengt, om de harten onder liefelijke aandoeningen te brengeai."
In zijn preken heeft Comrie alle dorre schoolgeleerdheid vermeden, teiwijl hij een afkeer had van lange inleidingen en toepassingen. De toepassingen moeten volgens Comrie kort en bij de tekst passende zijn. Comrie toonde het menselijk hart door en door te kennen; in het bestraffen van de zonde was hij zeer scherp, doch in het troosten liefelijk, waarbij hij met voorliefde de gedichten van Lodenstein aanhaalt.
Aan zijn preken besteedde Comrie veel moeite en studie. Zelf zegt hij, dat hij „door drie wekelijkse predikatieën en twee Catechisatiën in de wintertijd nauwelijks zich aan enige andere bezigheid wijden kon, vooral niet aan het einde van de week.
Gedurende de 38 jaren, dat Comrie de gemeente van Woubrugge heeft gediend, heeft hij 7 maal een beroep ontvangen uit een andere gemeente. Achtereenvolgens ontving hij een beroep naar Kralingen, Naarden, Schoonhoven, Den Bommel, Steenwijk, 's Gravenhage en Oude Tonge.
Ook de Schotse en Engelse kerken in Holland plaatsten hem meermalen op een nominatie, maar tot een beroep is het nooit gekomen. Het beroep naar Den Bommel bracht Comrie in hevige strijd, doch tenslotte had hij toch geen vrijmoedigheid om Woubrugge te verlaten.
Ongetwijfeld zou Comrie meer beroepen ontvangen hebben, als men van hem niet verteld had, dat hij zo „stijfkoppig" was. „Stijfkoppig ben ik nooit geweest. Lasteraars, die mij niet kennen, hebben dit wel verspreid, om mij telkens van de dienst in verscheiden Gemeenten te weren: dat ik geduldig gedragen heb, zonder mij daarover te kwellen, alzo ik naar geen verandering haak."
Zo heeft alleen de kleine gemeente van Woubrugge het voorrecht gehad deze zeldzame prediker te bezitten. Doch God had hem ook talent voor schrijver geschonken en door zyn geschriften is hij geworden en is hij nog de man, wiens naam met ere onder ons volk wordt genoemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1949
Daniel | 8 Pagina's