Grepen uit de Letterkunde
7. Over kunst in verband niet „Uitspanningen."
Over „kunst" is al heel wat gezegd en geschreven. Het is een groot verschil wie er over spreekt of schrijft. Velen redeneren aldus: Wat er geschreven, wat er geschilderd, wat er gebeeldhouwd of wat er gecomponeerd wordt, als het maar schoon is, als het maar een kunstwerk is, dan is de zaak in orde. Dit standpunt wordt genoemd „1' art pour 1' art", dat is „de kunst om de kunst", en is afkomstig van de zogenaamde Tachtigers, een richting in de litteratuur. Deze stelling wordt heden ten dage nog door menigeen verdedigd.
Als een boek geschreven is in prachtig proza, schitterende beeldspraak en de karakters van mensen worden subliem weergegeven, dan geeft het, volgens genoemde uitspraak, niet wèit. die beschreven mensen doen en laten of wat ze spreken, al zijn het afgrijselijke vloeken. Zie je, het is een kunstwerk en daarmee uit.
Nu is het begrijpelijk, dat de lezers juist door de fijne weergave, door de zoetvloeiende taal, ingeleid worden in een wereld van ongerechtigheid; dat ze (en des te meer wanneer het, taalkundig beoordeeld, een kunstwerk is)' worden gebracht in een sfeer waarin we niet alleen thuis horen, maar die verboden gebied is.
Het is heel jammer, dat vele schrijvers maar „raak" schrijven. Een voorbeeld: A. den Doolaard heeft een prachtig werk geschreven over de dichting van de vernielde zeedijken op Walcheren, getiteld „Het verjaagde water." Als we dat boek lezen, dan weten we welk ontzaglijk werk daar te verrichten was. We staan er bij en we leven er in mee. We voelen de grote spanningen, die er ontstaan als een eerste dichting mislukt. We krijgen respect voor het doorzettingsvermogen van de leiders, voor het geploeter van de polderjongens. Maar... en dan komt er een „maar": er staan woorden in, waarvan we schrikken en die we niet graag over onze lippen lieten komen. Gods Naam wordt er niet ijdelijk gebruikt, maar er staan verwensingen in die we niet mogen bezigen.
En als je nu de auteur vroeg waarom hij dat heeft gedaan, dan kreeg je ten antwoord: „Ik heb het werk in Walcheren weergegeven zoals het is gebeurd en... ik heb misschien maar het honderdste part „lelijke woorden" gebezigd van het aantal „verwensingen" die er geuit zijn." Dat zal inderdaad wel waar zijn, maar voor vele lezers stoten zulke boeken toch af.
Op het gebied van de schilderkunst heb je o.a. de naaktstudies, die regelrecht indruisen tegen het zevende gebod. Maar 't is kunst, nietwaar? En het woord kunst doet alles bij die mensen. Hetzelfde zouden we kunnen opmerken als we over de beeldhouwkunst gingen spreken. Ook bij de muziekkunst treffen we hetzelfde aan. Laatst las ik dat een muzikaal iemand vertelde, dat hij bij het aanhoren van bepaalde moderne muziek, neigingen kreeg tot zelfmoord (6e gebod.)
Hoe moeten we dan de kunst beschouwen? Nogal eenvoudig, dunkt me. De schoonheid moet middel zijn maar geen doel. De mens werd geschapen met het doel om te zyn tot verheerlijking van zijn Schepper. God lief te hebben boven alles en de naasten als ons zelf, dat was en is de grote levenswet. Verscheidene gaven heeft de Heere gegeven naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Maar die gaven mogen niet besteed tot ere van onszelf of tot ere van de Schoonheid. Dan komen we tot de godslasterlijke uitdrukking van een dichter, die behoorde tot de Tachtigers: „O Schoonheid, gij wier naam geheiligd zij."
Wanneer nu die gaven gebruikt worden, al is het niet volmaakt, maar toch beogend de verheerlijking van God, dan worden ze goed gebruikt. Dan zal er ook een goede invloed van uit kunnen gaan.
„De kunst is er niet om de kunst. Ze heeft God en de naaste op haar wijze te dienen. Waar ze dat niet doet, is ze geen zegen, maar een vloek.
Wij vragen van onze kunstenaars, dat ze de heerlijke gave die ze ontvangen hebben, in het besef van deze verantwoordelijkheid zullen gebruiken". (H. Berkhof.)
hof.) Kijk, een man die de heerlijke gave gebruikte tot eer van zijn Schepper en tot stichting van zijn naasten was Jodocus Lodensteyn, waarvan we in vogelvlucht een vorige keer zijn „Uitspanningen" bezagen. Hoor hem zingen:
„Wij zijn niet dan voor den Heer, cn ons heil is in Zijn eer, cn Zijn eer in al Zijn werken: Als Hij ons dan zinken doet, kunnen wij Zijn lof maar sterken; wat Hij doet is even goed.
Wijsheid zonder eind of paal zijn Zijn wegen altemaal: zijn zij zuurheid, zijn ze zoetheid, laat ons altijd zwijgen stil, want de wezenlijke Goedheid maakt het goed, met dat Zij 't wil."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1949
Daniel | 8 Pagina's