JafEth's uitBREIDInG
God breide Jafeth uit en hij wone in Sems tenten. (Gen. 9 : 27a.)
Als Noach door de geest der profetie aangedreven de vloek over Kanaans geslacht uitspreekt, verlustigt hij zich echter ook in die God, Die zich zo rijkelijk in Sems geslacht openbaren zou.
„Gezegend zij de God van Sem" roept Noach uit. In het geslacht van Sem zou de dienst van God bewaard blijven, zou de Heere zich openbaren als een God, Die .iet Woord Zijner belofte in vervulling doet gaan, want uit Sems nazaten werd de beloofde Messias voortgebracht.
Ook ziet Noach echter dat de Heere Jafeth zou voeren binnen de tenten van Sem.
Het geslacht van Jafeth, dat in onderscheiding van Sems geslacht buiten de openbaring van Gods Verbond vele eeuwen zou voortleven, zou ten laatste echter ook in die tenten van Sem worden gebracht; in die tenten, die als Gods heiligdommen, de plaatsen waren, waarin Hij Zich geopenbaard had.
Vele eeuwen heeft het geduurd voordat de Heere aanving Zijn beloftenis te vervullen en de onderscheidene profeten hebben gedurig van die toebrenging der heidenen gesproken.
Toen de Heere Zijn geest ging uitgieten op alle vlees en uit alle talen en natiën en tongen Zijn Kerk vergaderen ging, werd ook Jafeth's geslacht de van God beloofde plaats binnen Sems tenten gegeven.
En wij, mijn jonge vrienden, zijn naar onze afstamming kinderen van Jafeth. Wij leven thans binnen de tenten van Sem, daar wij, zoals het volk Israël van de oude dag nu ook wonen mogen onder de openbaring van Gods Verbond.
Het is echter tekort voor de eeuwigheid slechts een uitwendige plaats binnen die tenten van Sem ontvangen te hebben. •
Nodig zal zijn om onszelf in onze afkomst als kind van Jafeth's geslacht te leren kennen. Als vreemdeling van de verbonden der beloften, vreemdeling van Christus, zonder God en zonder hoop in de wereld.
Nodig zal zijn om op een geestelijke wijze binnen die tenten van Sem te worden gebracht.
Om de verborgenheden Gods, die zich in die tenten van Zijn Verbond openbaren zielsbevindelijk te leren kennen. Als God in Zijn volk vervullen gaat, wat Noach hier als profeet getuigde, zullen zij met David, die in de heilige gebouwen gebracht werd, leren uitroepen: „Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog." Verwondering en aanbidding is al hetgeen wat er overblijft in het leven van Gods volk, aanschouwend met een geestelijk oog, de schatten van vrije Genade in Sems tenten.
Al de verborgenheden des Evangelies, die zich, naar mate dat het openbarend Geesteswerk in het leven der Kerke Gods voortschrijdt, voor hen ontdekken, zijn van zo uitnemend gewicht, dat de dichter er van uitroept:
„Hóe groot, hoe vreselijk zijt G' alom, Uit Uw verheven Heiligdom Aanbiddelijk Opperwezen."
De Heere, die de Enige waarmaker van het Woord Zijner belofte is, vervulle ook in ons hart, Noachs profetische wens om Jafeths uitbreiding.
Hij lere ons onze afkomst kennen en moge ons een plaats geven voor Zijn aangezicht, waar wij van Hem mochten afsmeken, die Geest, die ook aan Jafeth's geslacht is toegezegd.
Buiten Sejns tenten te leven is een arm, ongelukkig, Godeonterend en zielsverdervend leven. Dat worde ons door genade onhoudbaar.
Binnen die tenten van Sem te leven, door de overgang uit de dood in het leven is een rijk, Godeverheerlijkend en zielszaligend leven, al moge dan veel strijd en verdrukking het deel van Gods volk door innerlijke en uiterlijke kastijdingen zijn, nochtans zingt Gods Kerke in al haar druk van Sems tenten!
Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen! Mijne ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de foorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1949
Daniel | 8 Pagina's