JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

I Correspondentie voor deze rubriek aan: | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

I Correspondentie voor deze rubriek aan: | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V

H. V. te Solo vraagt naar de verklaring van de boom des levens volgens Gen. 3 : 22.

Antwoord: oals u weet is de boom des levens één der twee met name genoemde bomen in het midden van het paradijs, volgens Gen. 2 : 9.

De toestand van de mens in het paradijs was een voorlopige, want de Statenvertalers tekenen bij Gen. 2 : 9 dit aan: Dat is een teken des levens, dat de mens het leven van God ontvangen en behouden zou, zo hij in zijn gehoorzaamheid volhardt, totdat het God believen zou hem in Zijn hemelse onsterfelijkheid op te nemen."

In de weg der gehoorzaamheid moest de mens dus voortschrijden tot het eeuwige leven, het leven van niet te kunnen zondigen en niet te kunnen sterven.

De boom des levens wijst heen naar de heerlijkheid, die voor de mens was weggelegd. In welke zin was deze boom nu boom des levens?

Sommigen hebben gemeend alleen in natuurlijke zin m.a.w. dat do werking van de vrucht van de boom des levens onderscheiden was van alle andere boomvruchten, om zodoende het lichaam over te leiden in de staat der heerlijkheid.

Anderen staan een andere mening voor en leggen de nadruk op de symbolische of sacramentele betekenis en verstaan het leven in de zin van het geestelijk leven met God.

Voor die laatste mening gevoel ik het meest. Brakel zegt terecht: „Deze boom had geen natuurlijke kracht om de mens te bewaren, dat hij niet zou sterven, want:

le de onsterfelijkheid had haar fondament niet in de boom.

2e niet één woord wordt daarvan gerept in de H. Schrift.

3e hoe zouden de nakomelingen van Adam, zo zijn in de staat der volkomenheid gebleven waren, als ze de gehele wereld zouden vervullen, het gemaakt hebben zonder deze boom, die maar één was en dat alleen in het paradijs. Zouden die dan gestorven zijn?

4e al de andere bomen waren hem tot spijze en zijn lichaam was in zulk een toestand en zo volmaakt geschapen, dat het geen ziekte onderworpen was en daarom ook geen medicijnen van node had. Zodat de boom des levens alleen een sacrament van het eeuwige leven was.

H. V. te Solo wil weten of Adam en Eva in de staat der rechtheid van de boom des levens gegeten hebben.

Antwoord: Hoewel ik weet, dat er velen zijn, die dit stellen, meen ik toch enige reden te hebben het te betwijfelen.

Toen de mens van de verboden boom gegeten had zei de Heere: „Dat hij zijn hand niet uitstelce en neme ook van de boom des levens." Hier schijnt in te liggen, dat hij dit tot dusver niet had gedaan. De oorzaak hiervan mag dan echter niet gezocht worden in een verbod Gods, want de mens mocht op één uitzondering na, van alle bomen eten. De oorzaak zou gezocht moeten worden daarin, dat de begeerte om van die boom te eten niet was opgekomen en voorts in de leiding Gods.

Tenslotte werd nog gevraagd of de boom des levens een afbeelding was van de Zoon Gods.

Antwoord: Deze boom kan nooit een afbeelding van de tweede Persoon in de Godheid zijn, omdat het niet overeenstemmende is met de Godheid, dat Die door een boom zou afgebeeld worden, want de Heere heeft verboden enige gelijkenis van Hem te maken.

Wel wordt de Heere Jezus als Middelaar van het verbond der genade de Boom des Levens genoemd, maar niet omdat Hij door die boom was voorgebeeld, , maar wegens de kracht van Zijn Middelaarsambt, waar-i door Hij het Leven der Zijnen is en hun het eeuwige leven geeft, van hetwelk de boom des levens Adam een sacrament was.

Was die boom een afbeelding geweest van Christus, zo zou Adam, na de verbreking van het verbond der werken, nu in het genadeverbond zijnde, wel hebben mogen eten van die boom.

H. V. te S. vraagt verklaring van Gen. 6 : 3, waar we lezen: Doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren."

Antwoord: U meent, dat die 120 jaar ziet op de leeftijdsgrens, die een mens, na deze uitspraak, niet zou overschrijden. Maar dat zou met de werkelijkheid in strijd zijn.

Noach is nog 950 jaar geworden, Sem bereikte de leeftijd van 600 jaar, en al is het waar, dat de mensen geleidelijker minder oud werden, werd Abraham toch nog 175, Ismaël 137, Izak 180 en Jakob 147 jaar. Neen, die 120 jaar ziet alleen daarop, dat de Heere, alvorens Hij de eerste wereld door de zondvloed zou doen vergaan, nog 120 jaar tijd van bekering zou geven.

Van de goedheid Gods ten opzichte van Zijn volk zingt de dichter in Ps.. 25: , , 's Heeren goedheid kent geen palen." Maar dat kan niet gezongen worden van de lankmoedigheid God. Die lankmoedigheid kent wel palen of grenzen en het zou voor een ieder te wensen zijn, dat hij met de lankmoedigheid Gods niet blijft spotten, nog heden de wapenen van vijandschap zou inleveren, Gods almacht door genade zou aangrijpen en alzo met Hem vrede zou maken, want als kaf gaat de dag voorbij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1949

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1949

Daniel | 8 Pagina's